Liedvertalingen Bavo Hopman

De Canadezen komen!

De meesten van ons denken bij Canadese veteranen vooral aan de bevrijders van 60 jaar geleden. We zien hen immers tijdens de meidagen nog regelmatig terug in Wageningen, Holten, Groesbeek of Apeldoorn. Alleen al in Nederland sneuvelden 5.700 van de in totaal 42.000 gevallen Canadezen in WO-II. En dat niet alleen Trees vrijde met een Canadees weten we door de 7 à 8000 ‘bevrijdingskinderen’, van wie velen een Canadese vader hebben. Nederland eert de Canadezen vooral om hun rol bij de bevrijding. Canada zelf bejegent al zijn veteranen vanuit een grondhouding van respect, eer en dank. Dat gold al voor de veteranen van WO-I en WO-II, dat geldt onverminderd voor alle veteranen van latere generaties. Deze grondhouding is duidelijk terug te vinden in “The new veterans Charter”, het in 2005 wettelijk vastgelegde nieuwe veteranenbeleid van het Ministerie van Veteranenzaken, met programma’s en voorzieningen voor alle veteranen en hun gezinsleden. Voor het eerste contact staat altijd een veteraan-contactpersoon klaar.

Veteranen in Canada

Canada is in veel opzichten vergelijkbaar met Nederland. Al is het land qua oppervlakte 240 keer zo groot als Nederland, in dat immense land wonen ‘slechts’ 32 miljoen inwoners. De krijgsmacht beschikt over een troepensterkte van 62.000 mannen en vrouwen, en daarmee is de Canadese militaire organisatie niet veel groter dan de Nederlandse. Veel ontwikkelingen, zoals de reorganisatie van krijgsmachtdelen en de deelname aan verschillende missies, zijn vergelijkbaar. Canadese en Nederlandse militairen kwamen elkaar tegen in Rwanda en schieten elkaar vandaag de dag te hulp in Afghanistan. Wel heeft Canada veel meer veteranen dan Nederland. Dat heeft in belangrijke mate te maken met de definitie. Canada kent ruim 258.00 in leven zijnde War Service Veterans, waaronder de veteranen uit WO-I, WO-II en Korea. Daarnaast zijn er 579.000 Canadian Forces Veterans, onder wie alle ex-militairen en vredesmissieveteranen. Het totale aantal is zo groot, dat een apart Ministerie voor Veteranenzaken gerechtvaardigd is.

Stigma

Ook de Canadese troepen maakten mee hoe -na de Koude Oorlog- een snelle toename in vredesondersteunende missies onder uitgezonden militairen hun tol eisten. De afgelopen jaren kwamen met enige regelmaat incidenten in het nieuws. Militairen, die na een missie het gewone leven weer op wilden pakken, moesten soms door hun commandant met een dienstopdracht naar de militaire arts gestuurd worden wegens agressie op het werk. Anderen kregen van hun vrouw een ultimatum om hulp te zoeken of op te stappen, omdat hun gedrag thuis onhoudbaar was. Vanaf de negentiger jaren werd langzaam duidelijk dat de voorzieningen om deze problemen op te vangen niet adequaat waren. En bovendien bleek dat militairen en veteranen zich nauwelijks aanmeldden bij deze voorzieningen, uit schaamte, uit angst voor de carrière of uit gebrek aan vertrouwen in de hulpverlening. Kortom, er was sprake van een stigma, waardoor militairen werden gehinderd in hun herstel en hun terugkeer naar het civiele leven. Een rapport van de Canadese ombudsman maakte duidelijk dat dit stigma wijdverbreid was. De identiteit en het zelfbeeld van de militair is zozeer met zijn werk verbonden dat alles erop gericht is om niet door de mand te vallen. In die zin wordt het stigma versterkt door de militaire cultuur en door de maatschappelijke opvattingen over psychische gezondheid en ziekte. Canada heeft daaruit de conclusie getrokken dat het anders moest, waarbij destigmatiseren een sleutelwoord is geworden. Dit besef heeft in 2005 geleid tot het nieuwe ‘veterans charter’.

Rolmodel

De Canadese luitenant-generaal b.d. Romeo Dallaire (zelf een bevrijdingskind uit 1945 met een Nederlandse moeder en een Canadese vader) heeft bij die verandering een belangrijke rol gespeeld. Hij heeft zich zeer actief ingezet bij het bestrijden van het stigma en het ontwerpen van nieuw beleid. Hij was onder andere voorzitter van een werkgroep die de latere “Operational Trauma and Stress Support Centres” (OTSSC) heeft ontworpen. Hij had zelf een trauma opgelopen in Rwanda (zie Checkpoint 5-2006) en zocht daarmee nadrukkelijk de publiciteit. Hij maakte verschillende documentaires, schreef een boek over zijn ervaringen in Rwanda en was de motor achter het OSISS-project (zie verder). Ondanks zijn PTSS werd hij senator voor de provincie Quebec. Door zijn onvermoeibare activiteiten en presentaties werd hij een boegbeeld voor heel veel getraumatiseerde militairen en veteranen, die hij stimuleerde om met hun verhaal naar buiten te treden. Enerzijds zagen veteranen dat kwetsbaarheid niet aan een rang gebonden is, en dat zelfs een generaal kwetsbaar is. Anderzijds zagen ze ook dat het leven niet ophoudt door PTSS, je kunt er zelfs senator mee worden. Die rol van Romeo Dallaire heeft een belangrijke invloed gehad op het publieke besef dat militairen een hoge prijs betalen voor deelname aan vredesoperaties. Daardoor is een groot draagvlak ontstaan voor het ontwerpen van wetgeving voor een nieuw veteranenbeleid.

Een nieuwe kijk op een oud probleem

Het oude stelsel van voorzieningen voor veteranen in Canada, ontstaan na de Tweede Wereldoorlog, was al van een hoog niveau. Maar ook in Canada hebben, net als in Nederland en vele andere landen, grote veranderingen plaatsgevonden. Het aantal oorlogsveteranen is verminderd en de jongere generatie vredesmissieveteranen wordt steeds talrijker. En deze jongere generatie heeft specifieke wensen en behoeften. Veteranen zelf hebben benadrukt dat de ondersteuning gericht moet zijn op welzijn, onafhankelijkheid en een succesvolle overgang van het militaire naar het civiele leven, en dat maatwerk nodig is. De gemiddelde leeftijd in Canada bij het verlaten van de dienst is bijvoorbeeld 36 jaar, dan speelt de bestaanszekerheid voor veteranen en hun gezinnen een belangrijke rol. Daarom is bemiddeling bij het vinden van een nieuwe baan een belangrijk onderdeel van het beleid, dat in de nieuwe wet wordt uitgestippeld.

Sommige veteranen hebben schade opgelopen bij de uitoefening van de dienst, bijvoorbeeld in de vorm van chronische gezondheidsklachten, invaliditeit of mentale klachten. Zij kunnen dan een beroep doen op ondersteuning, werkbemiddeling, rehabilitatie of inkomenssteun. Herstel van gezondheid en deelname aan de maatschappij staan daarbij altijd op de voorgrond. Dat Canada geluisterd heeft naar de veteranen (-organisaties) blijkt uit het feit dat de zes grootste organisaties van oude en jonge veteranen van harte en volmondig hebben ingestemd met het nieuwe charter en de daarin opgenomen voorzieningen. Natuurlijk worden de bestaande voorzieningen voor de oorlogsveteranen onverkort gehandhaafd. Daardoor kent de vernieuwingsslag alleen maar winnaars en geen verliezers. In Nederland is dat soms een punt van zorg bij met name de (organisaties van) oudere veteranen. Kijk bijvoorbeeld naar de antwoorden op de stelling van het Veteraneninstituut over een veteranenbeleid dat is aangepast aan de wensen en behoeften van jonge veteranen. Daar blijkt 34% van de veteranen tegen de aanpassing te zijn uit vrees dat oude veteranen daarvan de dupe kunnen worden (Checkpoint 8, 2004). Goede afspraken over het behoud van zekerheden en verworven rechten zouden deze vrees natuurlijk gemakkelijk weg kunnen nemen.

Een goede baan

Na dienstverlating wil de veteraan weer een goeie job, die aansluit op zijn niveau van kennis en kunde. De ministeries van Veteranenzaken en Defensie in Canada hebben een gezamenlijk programma ontwikkeld om veteranen aan een goede baan te helpen. Dit programma gaat uit van bewezen kennis, leiderschapskwaliteiten en ervaring vanuit de militaire rol, en bevat onder andere aanvullende training en opleiding. Daarmee worden veteranen in staat gesteld opnieuw een waardevolle bijdrage te leveren aan de samenleving. Het programma kan overgaan op de weduwe van een gesneuvelde militair of op de partner van een veteraan, die niet meer tot werken in staat is.

Materiële voorzieningen

Een belangrijk onderdeel van elk veteranenbeleid zijn de voorzieningen op het gebied van compensaties en pensioenen. De Canadezen willen dat militairen, veteranen en hun gezinnen op passende wijze gecompenseerd worden bij invaliditeit die door de dienst ontstaat. De drie belangrijkste gebieden van financiële steun zijn dan ook in de charter verankerd. In de eerste plaats de compensatie van inkomstenverlies. In de tweede plaats een uitkering bij invaliditeit, en tenslotte een uitkering bij overlijden voor de echtgenote of samenlevingspartner en eventuele kinderen. Voor de beoordeling bestaat er een onafhankelijke beoordelings- en beroepscommissie, de zgn Veterans Review and Appeal Board, die door het parlement is geïnstalleerd.

OSISS

Om een adequaat antwoord te formuleren op de verscholen problematiek na uitzendingen heeft het Ministerie van Defensie in 2001 het OSISS-project opgestart. Initiatiefnemer van dit project is een overste die klachten kreeg na zijn uitzending naar Rwanda in 1994 en om zich heen heel veel lotgenoten zag die geen hulp zochten of konden vinden. Uiteindelijk werd hij projectofficier van het OSISS-project van 2001 tot 2006. De afkorting OSISS staat voor Operational Stress Injury Social Support. Het doel van het project is om sociale steun te bieden voor militairen, veteranen en hun gezinsleden in geval van uitzendklachten. De tweede doelstelling is om binnen de krijgsmacht bekendheid met uitzendklachten (OSI) en begrip en acceptatie te bevorderen door het bieden van voorlichting en training. In de loop der jaren heeft het OSISS-project in samenwerking met het Ministerie van Veteranenzaken een uitgebreid netwerk opgebouwd van contactpersonen en steunpunten, waardoor een naadloze aansluiting ontstaat tussen zorg voor actief dienend personeel en post-actieven. Bijna de helft van de cliënten bestaat uit actief dienenden en een ruime helft uit veteranen.

Operational Stress Injury

Met de term OSI worden alle niet-medische klachten aangeduid die je kunt oplopen na een missie, inclusief PTSS, depressie of alcoholmisbruik. De term maakt in de eerste plaats duidelijk dat het om een injury (verwonding) gaat. Ten tweede dat de oorzaak ligt bij de operationele stress en niet bij persoonlijke zwakte of iets dergelijks. Deze klachten zijn aan de buitenkant meestal niet te zien. Vaak blijven ze lange tijd verborgen voor commandanten, kameraden en in veel gevallen ook voor de betrokkenen zelf. Voor degenen die zich uiteindelijk realiseren dat ze schade hebben opgelopen is het niet makkelijk om dit onder ogen te zien en passende actie te ondernemen. Over het algemeen willen militairen geen doetje zijn en gewoon doorgaan om hun eigen boontjes te doppen. Uit Canadees onderzoek is gebleken dat veel militairen zich schamen voor psychische klachten, want dan lijkt het alsof je psychisch niet in orde bent. Die schaamte weerhoudt ze om hulp te zoeken, juist in een periode waarin ze sociale steun nodig hebben. Ook stappen ze niet zo makkelijk naar een militaire arts uit vrees voor carrièreschade. Maar als je deze klachten verwaarloost, dan kunnen ze tot ernstige problemen leiden in het persoonlijke leven en op het werk.
In de praktijk blijkt dat de term OSI makkelijker te accepteren is voor militairen en veteranen, en dat verlaagt op zich al de drempel om er voor uit te komen bij een collega, commandant of buddy. En hoe eerder de klachten erkend worden, hoe kleiner de schade.  

Voor en door veteranen

Om hulp te bieden bij OSI heeft Canada dertien regionale steunpunten geopend voor zowel actief dienenden als veteranen. Zes van deze steunpunten zijn ook speciaal toegerust voor het ondersteunen van familieleden en gezinnen. Er is een gratis telefoonnummer beschikbaar voor Veterans Affairs en om in je eigen regio met een veteraan-contactpersoon te spreken. Deze contactpersonen zijn allemaal veteranen die zelf hersteld zijn van uitzendklachten, en voor hen is het vrijwilligerswerk. Na hun herstel zijn ze getraind in het voeren van gesprekken, het bieden van steun en het bemiddelen naar materiële voorzieningen of naar een hulpverlener, met wie ze een direct en intensief contact onderhouden. Ze verwijzen dus cliënten naar hulpverleners, maar ze leren de hulpverleners ook om beter te luisteren en de achtergronden van OSI beter te begrijpen. De contactpersonen kunnen verwijzen naar dienstverlening op maat, die medisch, sociaal, psychologisch of beroepsgericht van aard is. Meestal gaat dit via plaatselijke voorzieningen en soms via gespecialiseerde landelijke centra, door tussenkomst van een case manager.

In de beginjaren liep dat niet zo gladjes. De veteranen hadden moeite met deze rolwisseling en wisten niet altijd hun eigen grenzen te bewaken. Het draaide er dan bijvoorbeeld op uit dat een dakloze veteraan voor langere tijd kostganger werd in het huis van de contactpersoon. Dat is voor een vrijwilliger die ook nog een baan heeft moeilijk vol te houden. Daarom werden de contactpersonen getraind in het omgaan met hulpvragen en het stellen van grenzen.

Veel hulpvragers hadden heel weinig vertrouwen in het militaire of civiele systeem van (geestelijke) gezondheidszorg. Iedereen had echter wel vertrouwen in een veteraan die de situatie veel beter kon aanvoelen. De huidige praktijk leert dat deze contactpersonen, omdat ze lotgenoten zijn, veel makkelijker contact leggen en de veteranen veel beter begrijpen dan welke hulpverlener dan ook. Het is vooral het lotgenotencontact dat het groeiende succes van deze aanpak verklaart.

Wat kunnen wij in Nederland van Canada leren?

In de eerste plaats is de grondslag voor het beleid een houding van respect, waardering en dank aan militairen en veteranen die zich in verre oorden hebben ingezet voor de fundamentele waarden van de democratie. De Canadese samenleving drukt hiermee haar erkenning uit voor de bijdrage en de offers van militairen. De overgang van het militaire leven naar het civiele leven, maatschappelijke participatie en herstel van gezondheid zijn de hoekstenen van het beleid.

Voor een Ministerie van Veteranenzaken lijkt Nederland te klein. Het Canadese voorbeeld laat wel zien hoe belangrijk het is dat een speciaal daarvoor ingerichte organisatie zich richt op veteranenbeleid. Oud-Defensieminister Relus ter Beek vindt dat veteranenbeleid geen deel moet uitmaken van het personeelsbeleid. Hij pleitte voor een nieuwe integrale veteranennota en een eigenstandig veteranenbeleid rechtstreeks aangestuurd door de minister (Checkpoint 4, 2006). In Nederland kennen we een spaarzaam bezet bureau veteranenzaken, aangestuurd door de Hoofddirectie Personeel. Daarmee is het veteranenbeleid een onderdeel van het personeelsbeleid en kan het in de verdrukking komen als andere beleidsvraagstukken prioriteit eisen. Als dit bureau veteranenzaken opgewaardeerd zou worden tot een zelfstandige Directie Veteranenbeleid dan zou daarmee de noodzakelijke structuur ontstaan om zekerheid te bieden aan veteranen, zoals bedoeld door ter Beek.

In de derde plaats is het nieuwe veteranenbeleid in Canada in een wet vastgelegd (Bill C-45 dd 13 mei 2005). Daarmee is volkomen helder voor wie de voorzieningen zijn bedoeld, wat de gegarandeerde inhoud is en wat de procedures zijn. Hierdoor ontstaat maximale duidelijkheid voor alle betrokkenen. In Canada heeft dit proces drie jaar geduurd en zijn de wettelijke regelingen tot stand gekomen in nauw overleg met alle betrokken partijen. Voor de Nederlandse situatie zou je je voor kunnen stellen dat alle betrokken partijen, zoals de veteranenorganisaties, het Ministerie van Defensie, het Veteraneninstituut, de politieke partijen en de (militaire) bonden op één lijn zouden komen over nieuw beleid, al dan niet wettelijk geborgd. Dat duurt even, maar dan heb je ook wat!

In Canada een belangrijke rol weggelegd voor (herstelde) veteranen bij het eerste contact en de ondersteuning van militairen en veteranen en hun gezinnen. Dit systeem draait al sinds 2001 en is tot nu toe erg succesvol en neemt in belang toe. Het effect is groot, in lotgenoten vinden militairen en veteranen hun bondgenoten. Er is altijd laagdrempelige erkenning, begrip en steun van een veteraan beschikbaar voor zowel de (ex-)militair als zijn gezinsleden. Door de voorlichting en training die de contactpersonen geven bij militaire opleidingen wil men heel langzaam de (militaire) macho-cultuur in de kazernes laten plaatsmaken voor een cultuur van realistische acceptatie. Bovendien worden belangrijke ervaringen van veteranen rond herstel van uitzendklachten teruggegeven aan allen die daar iets van kunnen leren.

Tenslotte

Op papier is het goed geregeld in Canada. De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat dat nog geen garantie geeft dat het beleid ook goed wordt uitgevoerd. De praktijk in sommige andere landen maakt ons wat dat betreft voorzichtig. Het is nog te vroeg om te oordelen over de Canadese situatie, omdat het nieuwe charter pas sinds april 2006 wordt uitgevoerd. Maar de ambities zijn erg groot en de verwachtingen zijn hooggespannen. We zullen de ontwikkelingen volgen.


[1] Dit artikel is eerder gepubliceerd in Checkpoint (2006) jrg. 7, nr. 9.
[2] Bavo Hopman is stafmedewerker bij de Basis. Hij was in november 2005 in Toronto om de Canadese veteranenzorg te bestuderen. Bij die gelegenheid kon hij namens het Veteraneninstituut Senator en LGen. b.d. Romeo Dallaire uitnodigen voor een werkbezoek aan Nederland, een bezoek dat in april 2006 heeft plaatsgevonden.