Liedvertalingen Bavo Hopman

HB De hoogbegaafheidsparadox en de lobby

"Hoogbegaafde kinderen hebben het vaak moeilijk, vooral als ze geboren worden 
in een omgeving waar iedereen net als alle anderen moet zijn” (1)

Een veel voorkomend vooroordeel is dat hoogbegaafden zo slim zijn dat ze automatisch succesvol zijn of zullen worden. Als je slim bent kun je automatisch goed leren. Uit onderzoek en uit de praktijk blijkt dat dit heel vaak niet zo is. Hoogbegaafde kinderen ontwikkelen bijvoorbeeld een negatief zelfbeeld, faalangst of gebrekkige leerstrategieën onder invloed van gebrek aan uitdaging, vervreemding of isolement. Daarom bestaan er onderpresterende hoogbegaafden. Dit verschijnsel zal ik de hoogbegaafdheidsparadox noemen.

In juni jl. namen ruim twintig Pharos-ouders deel aan een workshop over de vraag “Hoe blij was je toen je de hoogbegaafdheid van je kind ontdekte?” Daar bleek dat de meeste ouders meer bezorgd waren dan blij. Meer zorg dan zegen, zoals onze zuiderburen zeggen. Ouders zagen vooral problemen met het onderwijs en het risico dat hun kind een eenzame onbegrepen nerd zou worden. De geweldige mogelijkheden die hoogbegaafdheid ook biedt bleven daarbij in de schaduw. 

"We hoopten dat het niet waar was, en toen de testuitslag bevestigend was hebben we het nog een hele tijd eigenlijk genegeerd. Maar dat konden we uiteindelijk natuurlijk niet volhouden en moesten we ons ermee verzoenen”.

Toegegeven, Pharos-ouders zijn misschien niet representatief voor alle ouders van hoogbegaafde kinderen, maar tekenend is het wel. Tekenend voor de wonderlijke tegenstrijdigheid dat juist kinderen met heel veel talenten en mogelijkheden in ons systeem in de knel kunnen raken. Deze paradox zorgt samen met het onduidelijke concept van hoogbegaafdheid voor veel spraakverwarring. Dat is niet goed voor deze kinderen en ook niet voor een effectieve hoogbegaafdheidslobby.

Denken over hoogbegaafdheid
Het denken over hoogbegaafdheid is in de afgelopen dertig jaar belangrijk verschoven. Het woord hoogbegaafdheid heeft meer en verschilende betekenissen gekregen. Waren de begrippen hoogintelligent en hoogbegaafd aanvankelijk nog bijna synoniem, vooral door de modellen van Renzulli (1975) en Mönks (1985) verschoof het begrip steeds meer in de richting van de succesvolle manifestatie van bijzondere aanlegfactoren. Hoogbegaafdheid kon zich ontwikkelen door een gunstig verlopend samenspel van factoren, waarvan hoge intelligentie een noodzakelijke, maar op zichzelf niet voldoende voorwaarde is. Heller heeft met zijn multi-factorenmodel wel verdere duidelijkheid gecreëerd, maar slechts voor ingewijden. Door de verschillen tussen de opvolgende modellen is het concept hoogbegaafdheid onduidelijk geworden, een containerbegrip met veel verschillende en soms tegenstrijdige betekenissen en gevoelswaarden. Dat is jammer, omdat het bevorderen van erkenning en waardering van hoogbegaafdheid een breed draagvlak vereist, waarbij mythen, misverstanden en vooroordelen geminimaliseerd worden. Daarnaast is het woord hoogbegaafd voor sommige ouders en kinderen erg beladen. Zij vermijden het onderwerp of verzinnen andere omschrijvingen (slim, snel lerend, uitdaging nodig hebben, andersbegaafd).

De Koepel Hoogbegaafdheid heeft daar een duidelijk standpuntover: bij de aangesloten verenigingen is duidelijk ervaren dat de prestaties mede afhankelijk zijn van factoren die buiten de betrokkene zelf liggen. Binnen de Koepel is dan ook overeengekomen dat alleen definities en modellen waarbij die prestaties niet voorwaardelijk zijn voor de hantering van de term 'hoogbegaafdheid', in aanmerking komen. De Koepel geeft hierbij de voorkeur aan het model van Heller (1992). In dit model wordt ervan uit gegaan dat hoogbegaafdheid wordt bepaald door de aanleg en sociaal gevormde vaardigheden, en dat hoogbegaafdheid zich verder ontwikkelt op basis van individuele cognitieve, motivationele en sociale mogelijkheden”.

Lobby in verschillende richtingen
Vanwege de hoogbegaafdheidsparadox en omdat hoogbegaafdheid niet automatisch een onderwerp is dat heel Nederland in zijn/haar hart sluit is beïnvloeding nodig. Naar mijn mening kunnen de publieke opinie en specifiek de opinies in het onderwijsveld en bij het Departement van Onderwijs in een positieve richting beïnvloed worden. 
Voor een effectieve lobby zijn conceptuele helderheid en een eenvoudige boodschap van groot belang. Het brede publiek moet het belang zien van de support voor hoogbegaafdheid om daarmee in te stemmen, en specifiek beleid te begrijpen of te steunen. Dat zal beter gaan als niet het persoonlijke maar het maatschappelijke belang van hoogbegaafden benadrukt worden. Bijvoorbeeld door te wijzen op het belang van topsport voor de breedtesport en van topkennis voor de uitdagingen van de toekomst. Gebruik maken van rolmodellen zou hierbij een optie kunnen zijn. Hoogbegaafdheid is zo gek nog niet!
 
De lobby bij het Ministerie van Onderwijs begint duidelijk vruchten af te werpen (zie vorige MB's). Hulde aan de koepel en de bestuursleden van Mensa! De lobby heeft bijgedragen aan een structurele aanpak met hoogbegaafdheidsprojecten die heel slim focust op excellentie. Deze lobby zou krachtig voortgezet moeten worden.
 
In het onderwijsveld zelf valt veel te verbeteren aan schoolbeleid, -programma's en het curriculum van de verschillende opleidingen voor leerkrachten. Dat begint al bij de pedagogische academie, waar hoogbegaafdheid nog steeds nauwelijks een onderwerp is. Juist ook bij leerkrachten in het basisonderwijs bestaan veel vooroordelen en misverstanden over hoogbegaafdheid en je zou haast zeggen dat deze lobby de meest urgente is, zeker nu het Ministerie de deur open heeft gezet voor beter onderwijs aan hoogbegaafden. Naast het belang van het individuele kind zal hier het maatschappelijk belang van afstuderende, promoverende en anderszins excellerende hoogbegaafden makkelijker begrepen worden. 

Samenvattend hebben we als vereniging en in de koepel nog veel te doen op het gebied van belangen behartigen en beïnvloeden. Een breed draagvlak voor erkenning en steun van de kleine groep hoogbegaafden is niet makkelijk te vinden en is toch van groot belang. Hiervoor is, om redenen die ik hierboven kort heb aangestipt, helderheid over het begrip hoogbegaafdheid en een uitgekiende communicatiestrategie noodzakelijk. Deze strategie moet op maat gemaakt worden voor minimaal drie groepen, het algemene publiek, het onderwijsveld en het departement. Daarmee ontwikkelt de koepel een effectieve aanpak van lobby-activiteiten in de breedte en daarmee kan iedere hoogbegaafde een ambassadeur worden voor de goede zaak.

[1] Marianne Frederiksson (2005). Het raadsel van de liefde. de Geus B.V.

(Dit artikel is geschreven voor de vereniging Mensa)