Liedvertalingen Bavo Hopman

Een kort verhaal uit de psychiatrie

Met veel plezier publiceer ik hier het verhaal 'Kleine grote man' over een psychiatrische patiënt uit Santpoort, waar ik leerling-verpleegkundige was in 1976. Toen het tijdschrift PSY in de zomer van 2009 een schrijfwedstrijd organiseerde met het thema 'De onvergetelijke patiënt', moest ik na 33 jaar direct aan hem denken, en schreef ik vanuit mijn herinnering dit verhaal. Het is een postuum eerbetoon aan deze kleine grote man. Ik heb veel van hem geleerd. De jury schreef over dit verhaal onder andere:

"Graag wil ik u laten weten dat de Psy-jury uw inzending unaniem heeft uitgeroepen tot de beste bijdrage. Namens de mede-juryleden wil ik u feliciteren, maar vooral ook complimenteren met deze prachtig geschreven miniatuur, waarin alles dat de psychiatrie zo schrijnend kan maken vervat zit. De tournure aan het eind geeft het verhaal een onverwachte perspectief, waar je aanvankelijk als lezer niet op bedacht bent. U laat zien hoe het platte begrip patiënt mensen ontdoet van hun speciale gevoelens, verlangens én hun historie. Ik hoop dat uw inzending bij de lezers van Psy even een schok teweeg zal brengen. Bij de jury deed het dat in elk geval wel."

Met het bescheiden bedrag dat bij de prijs hoorde kon ik deze website starten, dat leek me een passende besteding.

Kleine grote man

Onooglijk was hij, mager, angstig, klaaglijk. Mijnheer K. was er al vele jaren van overtuigd dat hij geen maag en geen darmen meer had en durfde nooit te eten. Hij was bang dat het eten in zijn buikholte terecht kwam en er nooit meer uit zou kunnen.
Echt angstig werd hij als hij toch eten moest. Koffie drinken ging wel goed, hij hield van koffie. Een biertje in de kantine lukte ook nog wel. Het probleem van de maag speelde dan niet. En je moest niet aankomen met het verhaal dat dat niet klopte. “Ach, ga toch weg”, zei hij dan, “wat weet jij daar nou van”.  
Op de afdeling waar hij woonde had hij zijn eigen verborgen plekjes, en als hij de kans zag glipte hij naar zijn kamer waar niemand hem zag. Mijnheer K. probeerde iedereen te ontlopen, op de afdeling en op het werk, had schijnbaar met niemand contact. Hij kreeg ook nauwelijks bezoek, alleen zijn vrouw kwam nog met enige regelmaat op zondagen, zijn dochters zag hij één keer per jaar op zijn verjaardag. Ze moesten hem altijd zoeken. Hij maakte het ze niet gemakkelijk met zijn gejammer, dat in het bijzijn van zijn familie nog veel heviger was dan op de afdeling, waar niemand zich er nog iets van aantrok.
Hij moest van de psychiater naar de arbeidstherapie, waar hij drie vogelkooitjes per dag maakte. De werkleider mocht hem wel -al was het meer medelijden dan sympathie- en liet hem begaan, snapte het wel als hij te laat kwam. Op de arbeidstherapie had hij ook het touw gevonden waarmee hij zich ophing op een zaterdagmorgen. Ze misten hem bij het eten en gingen hem zoeken op zijn kamer. Zijn zelfmoord kwam onverwacht en schokte de afdeling. De familie was verdrietig, maar niet verrast.
Namens de afdeling gingen twee broeders naar de begrafenis, omdat er anders helemaal niemand zou komen. Op de begraafplaats was het druk. Meer dan honderdvijftig mensen bleken uiteindelijk aanwezig voor een laatste afscheid. Ze vertelden veel verhalen over de oorlog, hoe hij in het verzet had gezeten, ongekend moedig was geweest en heel veel joden en onderduikers had geholpen. De onooglijke, angstige mijnheer K. was een verzetsheld! Op de afdeling hadden ze niets geweten van zijn oorlogsverleden, de andere aanwezigen wisten niets van zijn psychiatrische carrière. Wie zou hem hierna nog ooit kunnen vergeten, die kleine grote man?