Liedvertalingen Bavo Hopman

Naar een nieuw perspectief op veteranenzorg

Inleiding

Het beroep van militair is een risicoberoep, 20% van de uitgezonden militairen krijgt vroeg of laat klachten die met de uitzending samenhangen. Het thema van vandaag is: Veteranen, onze zorg! Met een risicobenadering zouden we veel kunnen doen om onze militairen en hun thuisfront te steunen in de journey of recovery. Maar is veteranenzorg werkelijk “onze zorg”? Daarover gaat deze tekst, een vrije weergave van de inhoud van de presentatie ‘Perspectief op veteranenzorg’ op 27 november 2003 in het Veteraneninstituut.

Waarom ook weer het Veteraneninstituut?
De oprichting van het Veteraneninstituut in Doorn in het jaar 2000 is een rechtstreeks gevolg van de aanbevelingen van de commissie Tiesinga uit 1997[1]. Deze aanbevelingen volgden op het onderzoek van de Vrije Universiteit van Amsterdam onder veteranen, gezinsleden en zorginstellingen[2]. De commissie ging er vijf jaar geleden van uit dat "militairen recht hebben op het beste wat de Nederlandse samenleving te bieden heeft”. De aanbevelingen hadden betrekking op erkenning en waardering, op immateriële hulp en op de zorgstructuur. Zo vond de commissie onder andere dat er een veteranenadministratie ingevoerd moest worden, dat er meer aandacht en waardering getoond moest worden voor veteranen en hun partners en dat de zorg tijdens en na uitzending en na dienstverlating naadloos op elkaar aan zou moeten sluiten. Voor de actief dienenden zou een meer pluriform en preventief zorgaanbod moeten komen, met aandacht voor lotgenotencontact en zorg voor familieleden.
Ook over de zorgstructuur doet de commissie belangrijke aanbevelingen. Zo zou er een herkenbaar instituut voor veteranenzorg moeten komen, met lotgenotencontact, thuisfrontzorg, dienstverlening en nazorg en met actieve aandacht voor partners.
Deze aanbevelingen worden hier opnieuw aan de orde gesteld. Hoe staat het er nu mee, nu we een aantal jaren verder zijn?

De betekenis van het Vi
Het Veteraneninstituut is in sneltreinvaart opgericht en van start gegaan en in haar prille bestaan zijn er een aantal resultaten te noemen: er wordt een pluriform aanbod gerealiseerd (gericht op erkenning en zorg), maatschappelijk werkers gaan bij veteranen en hun thuisfront op bezoek, groepen uitgezondenen van zgn. ernst-missies houden er succesvolle bijeenkomsten, er wordt kennis gegenereerd en gedocumenteerd. Er is een toenemende samenwerking met de eerste- en tweedelijns civiele en militaire hulpverlening en er worden, bijvoorbeeld als coproductie met het CMH, ambulante ondersteuningsgroepen opgestart. De tevredenheid van de jongere generatie over het Centraal Aanmeldings Punt en over de bijeenkomsten in het BNMO-Centrum, het nazorgcentrum van de Bond voor Nederlandse Militaire Oorlogs- en dienstslachtoffers, is hoog. De snelle start en de eerste resultaten sinds mei 2000 kunnen echter niet verhullen dat de bestuurlijke en operationele slagkracht van het Vi gering is. Hoe is dat zo gekomen?

De veteranenzorg in Nederland is ontstaan in 1945, vanuit het particulier initiatief (BNMO), gedragen door de veteranen zelf, vanuit het niets, en het heeft zich stap voor stap ontwikkeld tot wat het nu is. Je zou kunnen zeggen: ‘er is veel om trots op te zijn’. Er is veel vooruitgang geboekt, er zijn wetten aangenomen, voorzieningen gerealiseerd, er is erkenning gekomen, er is een veteranenplatform en er is veteranenbeleid. Voor wie het zoekt is hulp en zorg beschikbaar. En toch moeten we hier constateren dat de Nederlandse veteranenzorg niet is voortgekomen uit zorg van Defensie voor haar (voormalig) personeel, en dat het zwaartepunt ligt bij financiële compensaties zoals het militair invaliditeitspensioen. Als zodanig is die zorg nog steeds een product van de vorige eeuw. Er is hard aan gewerkt, veel aan vertimmerd, het ziet er best indrukwekkend uit, maar de levenscyclus loopt ten einde en dat geldt natuurlijk ook voor de BNMO als vereniging van de oudere generatie veteranen en partners.

Ter illustratie dient hetvolgende voorbeeld. Nog steeds, tot op de dag van vandaag, worden Indië-veteranen lid van de BNMO. Ze zijn al 55 jaar terug uit Indië, ze zijn de 75 al ruim gepasseerd, en ze hadden tot op heden nog nooit van de BNMO gehoord, laat staan van het Veteraneninstituut. Zo is het met de jongeren ook: van de 45.000 nieuwe veteranen sinds 1963 heeft slechts 25% een veteranenpas. Het Veteraneninstituut weet de overigen dus niet te vinden, en wat misschien nog erger is: zij weten het Veteraneninstituut niet te vinden!
Samenhang in de zorg dus, maar is die er ook in de praktijk? Zo valt bijvoorbeeld het afwikkelplan onder verantwoordelijkheid van de OPS BLS. Na een jaar gaat de nazorg over in reguliere personeelszorg van de commandant en zijn personeelsdienst. Na dienstverlating wordt het aan de uitgezonden militair zelf overgelaten of hij zich laat registreren als veteraan. Niet iedereen wordt daarover voorgelicht. “Doordat er geen volledige registratie van het complete traject plaatsvindt is de KL niet in staat zijn uitgezonden militairen en later zijn veteranen te volgen en een gecoördineerde nazorg en later veteranenzorg aan te bieden”.. De Nederlandse uitgaven voor veteranenzorg zijn niet bekend. defensiebrede personeelszorg geven natuurlijk ook zicht op een defensiebrede veteranenzorg. Niet alleen voor de grote contingenten, maar ook voor de kleinere missies. En voor de missies die zijn samengesteld uit onderdelen van landmacht, marine, luchtmacht en marechaussee. Een veteranenzorg, waarbij inderdaad een naadloze overgang mogelijk is tussen de zorg voor actieven en post-actieven. Daarmee wordt dus zowel de beleidsverantwoordelijkheid van het Ministerie als de controlerende verantwoordelijkheid van de Kamer nog eens duidelijk aangezet.. Dit nadenken leidde de volgende dag tot de toezegging dat er in 2004 niet bezuinigd wordt op veteranenzorg en dat er in de eerste helft van 2004 een evaluatie van het veteranenbeleid komt, waarover de Staatssecretaris de Kamer zal informeren middels een nieuwe veteranenbrief.
Van der Knaap weet uit eigen ervaring, zijn vader was Indië-veteraan, hoe het is om kind van een veteraan te zijn. Zijn hart ligt wel bij de veteranenzorg, hij spreekt zich daar in de Checkpoint van september jl. duidelijk over uit: “Het zou mij een lief ding waard zijn als we dat (bedoeld wordt uit het lood raken, scheiden, vereenzamen, alcohol- en drugsverslaving, zelfdoding) eerder zouden herkennen en tot een structuur zouden kunnen komen waarin signalen van die mensen snel kunnen worden opgepakt en dat we ze de hulp kunnen bieden die ze nodig hebben”.

Knelpunten in de Veteranenzorg
De voorstellen van de commissie Tiesinga zijn dus nog lang niet allemaal ingevuld. Er is geen veteranenadministratie, geen continuïteit van en samenhang in de zorg voor actieven en post-actieven, geen naadloze aansluiting tussen krijgsmacht en veteraneninstituut. Daar zijn we het wel over eens: de zorg voor veteranen is versnipperd, ondoelmatig en bereikt de nieuwe generatie veteranen onvoldoende. Zorg is nog steeds een sluitpost. De veteranenzorg in Nederland is geen kind om trots op te zijn, geen gezonde Hollandse jongen. Het is een kindje van de hongerwinter.
Vanwege de definitie van wie in Nederland veteraan is, begint veteranenzorg formeel op het moment van dienstverlating. Tot nu toe ontbrak het aan een visie op de inhoud en organisatie van de zorg. Dit kan leiden tot schimmige discussies over doelgroepen en al dan niet vermeende klachten en tot vreemde taferelen op het vlak van public relations en marketing: het Veteraneninstituut weet de veteranen, voor wie het instituut is opgericht, niet te vinden. Het verkeert in een soort concurrentiepositie met de hulpverlening binnen de krijgsmacht en is voor zijn beleidsontwikkeling en financiën afhankelijk van Den Haag. Voeg daarbij de lage organisatiegraad van met name jonge veteranen (vanaf UNIFIL 1979) en het problematische hulpzoekgedrag van hen die problemen ervaren of veroorzaken, en we zien de verklaring voor de kloof tussen wenselijkheid en werkelijkheid. Nazorg is nog teveel vrijblijvend, voor de militair en voor Defensie.

Opvattingen over zorg
Het onderzoek “Deelname aan vredesmissies” geeft een aantal opvattingen weer over zorg. “Zorg is ook erkenning, personeelszorg, onderling contact. De zorgactiviteiten kunnen worden onderverdeeld in vier niveaus: basiszorg (erkenning, contacten met collega’s/lotgenoten en ‘nuldelijnszorg’), primaire preventie (het daadwerkelijk voorkómen van verwerkingsproblemen), secundaire preventie (vroege signalering en vroegtijdige behandeling) en curatieve zorg (eerste/tweedelijnszorg, algemeen/specifiek, binnen/buiten defensie).
Van de uitgezonden militairen heeft 25-30% behoefte aan hulp voor psychische en/of lichamelijke klachten. Voor wat betreft de curatieve zorg ligt het in de verwachting dat veteranen eerder een beroep zullen doen op specifieke dan op algemene voorzieningen. Vrijwel alle veteranen vinden een hulpverleningsinstelling, geheel gericht op veteranen (en gezinsleden) noodzakelijk. Bij de zorgstructuur voor veteranen behoort ook de zorg voor gezinsleden van veteranen (en van uitgezonden of nog uit te zenden militairen). De zorg voor gezinsleden van veteranen zou (nog) verder geïntegreerd kunnen worden in het gehele begeleidingstraject rondom uitzendingen”.

Veteranenzorg begint bij uitzending
De Commissie Tiesinga houdt in feite een pleidooi voor optimale ondersteuning voor alle terugkerende militairen en voor veteranen en hun thuisfront. Militair zijn is een risicoberoep, en nu in toenemende mate iedere militair erop kan rekenen in zijn militaire loopbaan één, twee of meermalen uitgezonden te worden, is een risicobenadering voor alle militairen gerechtvaardigd. We weten dat zo’n 20% van de uitgezondenen vroeger of later nadelige gevolgen ondervindt van die uitzending, alleen weten we niet wie preciesdie nadelige gevolgen zal ondervinden en wanneer. In een risicobenadering kan men focussen op casefinding of op (educatieve) interventies voor risicogroepen. In de nazorg voor uitgezondenen zijn beide strategieën relevant.
Vandaag valt de vraag naar optimale zorg in twee delen uiteen: wat is optimale zorg vóór, tijdens en na uitzending? Wat is optimale zorg na dienstverlating? Het onderzoek van de Vu in 1997 zegt daarover: “Een zorgstructuur voor veteranen zou moeten worden ingebed in de gehele zorgstructuur voor uitgezonden of nog uit te zenden (actieve) militairen”
De militaire hulpverlening tijdens en na uitzendingen is de laatste jaren sterk verbeterd en toegankelijker geworden voor militairen en veteranen, die actief op zoek gaan. Dat geldt zowel voor de eerstelijns- als voor de tweedelijnsvoorzieningen. De relatieve beperking hiervan is de reactieve opstelling en de eenzijdige focus op de individuele militair. Daarin zijn nog grote verbeteringen mogelijk. In welke richting die verbeteringen moeten worden gezocht, wordt in belangrijke mate aangegeven door de veteranen en hun thuisfront. Zij signaleren dat de nazorg meer op het thuisfront gericht zou moeten zijn, actief en meer dan eenmalig aangeboden moet worden en blijk moet geven van oprechte belangstelling en betrokkenheid. Het toesturen van een vragenlijst, waarop de betrokkene na terugzending vervolgens geen feedback krijgt, voldoet daar niet aan. Verder blijkt er bij verschillende personen en op verschillende momenten behoefte te zijn aan allerlei laagdrempelige vormen van steun, begeleiding, opvang, nazorg en hulp.

Enkele voorbeelden
Zo vindt bijvoorbeeld 15-25% van de partners de periode van terugkeer moeilijk. Er is sprake van een verschil in realiteitsbeleving of er ontstaat kortsluiting in de communicatie. Het zou zinvol zijn om aan die teruggekeerde militairen en hun partners een korte communicatietraining te bieden, die hen helpt elkaars verhaal te verstaan en daarmee de relatie te versterken. Ook de dienstverlating is voor veel militairen een breekpunt, ze verliezen hun kameraden en de militaire cultuur, die toch voor jaren hun tweede (?) thuis was. Het automatisch verstrekken van de veteranenpas met het daarbij behorende veteranenblad Checkpoint zou op een positieve manier het contact met de veteranenwereld tot stand kunnen brengen en daarmee de transitie vergemakkelijken.
Ook een goede mogelijkheid zou zijn om bij wijze van einde-dienstbijeenkomst alle afzwaaiende militairen fysiek kennis te laten maken met het veteraneninstituut, zodat ze zich ter plekke kunnen registreren.
Iedere militair die met enige vorm van hulp, begeleiding of therapie de dienst verlaat zou hiermee aangemeld kunnen worden bij het Vi., zodat continuering van zorg geboden kan worden. Een doorlopend dossier zou voorkómen dat veel essentiële informatie verloren gaat.    

Personeelszorg
Het is dus zaak de personeelszorg vóór, tijdens en na de uitzending te optimaliseren. Dit uitgangspunt wordt door Defensie en door de krijgsmachtdelen wel onderschreven en op dit terrein zijn de laatste jaren grote vorderingen gemaakt, het huidige zorgconcept gaat uit van integrale zorg voor, tijdens en na uitzending. De Directie Personeel van de Kl. schrijft daarover in 2002: “In het personeelszorgtraject na de uitzending en bij het moment van dienstverlating kan door Defensie nog veel winst worden geboekt”. Wanneer de militair kort na terugkeer van een missie de dienst verlaat dan is er onvoldoende ruimte voor het afwikkelprogramma en wordt hij slechts gedebriefd en uitgekeurd, de secundaire en tertiaire afwikkelfase vervalt.  

Internationaal perspectief
Uit het buitenland komen ook nog wat aardige voorbeelden. Zo heeft Zweden, dat toch een land is zonder veteranencultuur, de nazorg wettelijk verplicht gesteld. Het ministerie is verplicht om onderzoek, begeleiding en reünies te bieden en de militairen zijn contractueel gehouden aan deelname tot vijf jaar na terugkeer.
Op een heel andere manier heeft Finland het verlofsysteem afgestemd op de wensen van de militairen en hun thuisfront om vaker thuis te zijn. Tijdens missies van meestal twaalf maanden komen de militairen iedere maand een week met verlof met de zgn. ‘home supply flight’. Het is nog niet bekend of dat ook aantoonbaar invloed heeft op gezondheid en welzijn van de militairen of hun thuisfront. Uit een veel verder buitenland nog dit: Australië is weliswaar veel groter dan Nederland maar het land heeft toch maar 20 miljoen inwoners. Dus in dat opzicht is het vergelijkbaar, al zijn er veel meer veteranen, vnl. uit WO-II en Vietnam (450.000). Australië heeft bijvoorbeeld 24.000 vredesmissieveteranen, en besteedt jaarlijks 8,9 miljard Australische dollars (ongeveer €5 miljard) aan veteranenzorg, waarvan 62% aan compensaties en 38% aan zorg.

Nieuwe kansen
In de Prinsjesdagbrief schetst Minister Kamp de toekomst van onze krijgsmacht en in de debatten na Prinsjesdag zegt hij herhaaldelijk dat we trots kunnen zijn op onze internationale bijdrage aan vrede en veiligheid, op onze krijgsmacht en op onze militairen. Uit de brief blijkt dat de krijgsmacht van de toekomst kleiner en professioneler wordt en zich geheel en al richt op de inzet bij crisisbeheersingsoperaties. De brief spreekt van een nieuw evenwicht tussen taken en middelen en van de keuze voor kwaliteit boven kwantiteit. En als einddoel wordt geformuleerd: “een gezonde organisatie die het personeel uitdagingen en perspectief biedt” Iedereen, van laag tot hoog, kan er trots op zijn bij Defensie te werken. In de bijbehorende personeelsbrief van Staatssecretaris van der Knaap wordt uiteengezet dat er vanaf 2004 één personeelsinformatiesysteem voor de gehele defensieorganisatie ingevoerd wordt en een defensiebreed Dienstencentrum Personeel. De Hoofddirectie Personeelsbeleid zal het integrale personeelsbeleid voor de gehele defensieorganisatie ontwikkelen. Maar ook het Veteraneninstituut in Doorn heeft wel lessen getrokken uit de eerste drie jaren van haar bestaan. De in 2003 vernieuwde bestuursstructuur moet de slagvaardigheid vergroten. De BNMO wil langzamerhand de BNMO-groep, als leverancier van professionele diensten, losmaken van de vereniging BNMO. Al deze ontwikkelingen bieden op zich kansen om de reeds langer bestaande wensen op het gebied van veteranenzorg een nieuwe impuls te geven. Krijgen we daar ook de handen voor op elkaar?

Maatschappelijke en politieke steun
De Tweede Kamer spreekt zich ook steeds duidelijker uit voor het verbeteren van de veteranenzorg. Zo wil het eindrapport van de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica “dat Defensie haar nazorg beter organiseert en dat het administratiesysteem bij Defensie van veteranen zo veel mogelijk sluitend wordt gemaakt en up-to-date wordt gehouden. Het is tevens van belang dat de vaste commissie voor Defensie van de Tweede Kamer het punt van de nazorg blijvend een volwaardige plaats in haar controlerende werkzaamheden geeft”.
De verschillende fracties in de Kamer zijn bijna unaniem bezorgd over de afwachtende houding van Defensie. De volgende reactie van het CDA is daarvan een voorbeeld. “Ten aanzien van het veteranenbeleid leert de ervaring dat de nazorg voor militairen die terugkeren van vredesmissies van enorm belang is. Defensie biedt hiertoe diverse mogelijkheden, maar volgens de CDA-fractie moet Defensie hierin een meer pro-actieve rol vervullen. Defensie moet niet afwachten of iemand zich meldt, maar de mensen actief benaderen om hun fysieke en mentale gezondheidsconditie te volgen. De sterke toename van militairen die na uitzending lijden aan posttraumatische stresstoornis geeft hier alle reden toe. Zelfs jaren na uitzending wordt er bij veteranen nog PTSS gediagnosticeerd. Helaas zijn de adresgegevens van veteranen slechts in beperkte mate bekend.
Naar aanleiding van Prinsjesdag vraagt de Kamer unaniem aan Staatssecretaris van der Knaap ”Speciale aandacht …. voor de opvang van veteranen, waarop Defensie tegen de wil van de Kamer wil bezuinigen. Eerst verzette Van der Knaap zich, maar aan het einde van de avond zei hij er 's nachts nog eens over te willen nadenken”.
Staatssecretaris van der Knaap begrijpt waar het over gaat: “Nu hebben veteranen een warm plekje in mijn hart en ik vind dat ik voor hen een behoorlijke verantwoordelijkheid heb te dragen. Het gebeurt te vaak dat mensen korte of langere tijd nadat zij zijn uitgezonden problemen krijgen. PTSS wens je niemand toe. Daarop bezuinigen kan dus ook helemaal niet. Daarom heb ik de Inspecteur Generaal der Krijgsmacht (tevens Inspecteur der Veteranen; noot B.H.) gevraagd om mij op een zo kort mogelijke termijn te informeren welke aanvullende maatregelen ik nog zou moeten treffen om te komen tot een optimaal veteranenbeleid. Ik stel voor om dat onderzoek van de IGK af te wachten. Vervolgens kan ik op basis van de onderzoeksresultaten met de Kamer van gedachten wisselen over de benodigde aanvullende maatregelen om te komen tot een optimalisering van het veteranenbeleid”.
In deze uitspraken van de Staatssecretaris kunnen we moeilijk iets anders beluisteren dan een stevig pleidooi voor een snelle, adequate, systematische, preventieve benadering van de zorg voor militairen na uitzending, die nog wat mag kosten ook. Hij sluit daarmee goed aan bij de opvattingen die leven bij het Nederlandse publiek, dat zich in een peiling van begin september (dus nog vóór Prinsjesdag) duidelijk uitspreekt ten gunste van kosteloze en prioritaire zorg voor militairen bij medische en psychische klachten.

Kortom, het lijkt er op dat er een consistent en groeiend maatschappelijk draagvlak is voor optimale zorg na uitzendingen. Hoe kunnen we dat perspectief creëren? Daar gaat het vandaag over. In feite zoeken we naar een Nederlands perspectief in de geest van de commissie Tiesinga: “het beste wat de Nederlandse samenleving te bieden heeft"

Naar een integraal zorgconcept
Met al deze bevindingen willen we enkele inhoudelijke suggesties doen voor de zorg. In de eerste plaats is er veel verbetering mogelijk als bijvoorbeeld het ‘Integraal Zorgconcept Vredesoperaties’ daadwerkelijk in alle krijgsmachtdelen en voor alle militairen in alle omstandigheden zou worden toegepast. In de tweede plaats kunnen de mogelijkheden aanzienlijk worden uitgebreid als krijgsmacht en Veteraneninstituut hun krachten zouden bundelen en partners werden in plaats van concurrenten. Dit betreft zowel het gebied van onderzoek als het gebied van zorg. In een zorgsysteem dat in gezamenlijke regie kan worden ontworpen en uitgevoerd zou de uitvoeringsverantwoordelijkheid voor de actieven bij de krijgsmacht liggen en de verantwoordelijkheid voor de post-actieven bij het Veteraneninstituut. Ze zouden samen een keten vormen waarin niemand meer buiten de boot kan vallen. In deze keten krijgt iedere militair een standaard pakket aan onderzoeken en preventieve interventies, terwijl op indicatie allerlei aanvullende individuele of groepsinterventies mogelijk zijn.In de bestaande voorzieningen voor hulp zou speciaal aandacht besteed moeten worden aan vroegtijdige signalering en vroegtijdige interventies, die drempelverlagend werken voor zowel veteranen als hun thuisfront. Als zorg een normaal onderdeel van de bedrijfscultuur wordt zal de participatie van de militairen steeds minder problemen opleveren, waardoor het rendement verder toeneemt. Hierbij denken we aan educatieve interventies voor risicogroepen en aan individuele- of groepsinterventies voor diegenen die daadwerkelijk problemen ervaren.

De onderzoeksinspanningen van Defensie, krijgsmacht en Veteraneninstituut zouden gecoördineerd en gebundeld kunnen worden. Een aparte onderzoekslijn moet worden opgezet voor de evaluatie van preventieve interventies, krachtens de aanbeveling van de Vu uit 1997: “Er is toegepast onderzoek nodig om te kunnen vaststellen hoe je klachten kunt voorkómen, dan wel effectief kunt behandelen. Daarbij mogen overigens ook de partners van veteranen niet buiten beeld blijven”. Omdat niet in de eerste plaats de technologie maar eerder de politieke arena de voortgang van dit soort processen bepaalt, is het aan te bevelen om een brede taskforce nazorg op te richten. Deze task force moet niet zozeer nota’s produceren maar samenwerking genereren. Enigszins vergelijkbaar is de Commissie Ontwikkeling Integrale Nazorgvragenlijst (COIN) die de bestaande medische en psychologische nazorgvragenlijsten aaneensmeden voor alle krijgsmachtdelen. De taskforce nazorg moet voldoende boven de partijen staan en slechts het belang van optimale nazorg voor ogen houden. Pas dan kan een optimale veteranenzorg ontworpen worden, die passend is in de eenentwintigste eeuw, omdat "militairen recht hebben op het beste wat de Nederlandse samenleving te bieden heeft”. Op termijn plukken alle militairen en veteranen, de krijgsmacht en de samenleving daar de vruchten van.