Liedvertalingen Bavo Hopman

Recensie: Inkomend vuur

Inkomend vuur, Eelco Runia, 2003, Augustus, Amsterdam.
Door: Bavo Hopman, de Basis Doorn

 Wie is er bang voor ‘Inkomend vuur’?
 
 
Een goed boek is nooit gemakkelijk. Een goed boek raakt je, verovert je of grijpt je bij de strot. Je wordt meegesleurd in het verhaal, het laat je niet zomaar los. Zo’n boek is ook inkomend vuur, de hermetisch geconstrueerde, eerste roman van Eelco Runia. Het is een ongemakkelijk boek, in het intellectuele taalgebruik en in het thema. De lezer wordt meegenomen in het leven van een dokter, die als militair arts de val van Srebrenica heeft meegemaakt en daar niet mee kan leven en niet over wil praten. Het gebrek aan integriteit in de Nederlandse samenleving, toen en nu, geeft zijn trauma nog elke dag nieuwe brandstof. Een verontrustend boek, want het verhaal is een aanklacht tegen de Nederlandse middelmatigheid. De Nederlandse leeuw staat in zijn hemd.
 
Voor iedereen die een mening heeft (gehad) over de noodlottige missie van Dutchbat-III in 1995, is dit boek verplichte kost. Het boek daagt de lezer uit kleur te bekennen: ‘waar staat u als Nederlandse leeuw?’ Het is inkomend vuur!

Dokter Fabian de Groot doet niet meer mee aan de samenleving. Hij is een arts zonder patiënten, een militair zonder missie. Hij staat op wachtgeld. We leren hem kennen op een warme maandagochtend in september, in de trein op weg naar zijn afspraak met een reïntegratieconsulent van het Pensioenfonds. We volgen hem bij zijn bezoek aan de ‘ pensioenvazal’, maar hij is moeilijk te volgen. Wel wordt duidelijk dat hij, sinds hij als arts in 1995 met de Luchtmobiele brigade uitgezonden is geweest naar Bosnië, genezen is van de drang om mensen beter te maken. Na terugkomst uit Bosnië heeft hij ontslag genomen bij de krijgsmacht, met veel ellende en gedoe. Hij heeft een onderzoeksvoorstel ingediend over slaapwandelen(!), maar staat op wachtgeld omdat dit onderzoek om bureaucratische redenen niet van de grond kan komen.
 
Vanuit deze introductie omtrent zijn wapenfeiten worden we meegenomen in de belevenissen van Fabian de Groot, vanaf het bezoek aan Den Haag op maandagochtend tot het bezoek aan de gemeentelijke vuilstortplaats, met de klas van zijn negenjarige dochter, op donderdagmiddag. Gedurende drie-en-een-halve dag zitten we Fabian zeer dicht op zijn huid en zijn we getuige van zijn vervreemding, zijn isolement, zijn woede, zijn beestachtig gedrag en zijn wanhoop. We volgen hem in zijn innerlijke dialoog, in de omgang met zijn dochter Allegra (zijn laatste strohalm), in zijn dromen en zijn nachtmerries, zijn angsten en zijn rituelen, zijn omgang met de moeders van school en met zijn vrienden Karel en Johan. Langzamerhand wordt duidelijk dat Fabian zichzelf ziet als de bewaarder van een vreselijk geheim, namelijk de werkelijkheid van wat er in Bosnië gebeurd is. Iedere poging om daar een verhaal van te maken, erover te praten of schrijven, bezoedelt of verdoezelt die werkelijkheid, en moet dus achterwege blijven. Fabian heeft daarom geen deugdelijk levensverhaal meer sinds hij -zoals een leeuw zijn geïnfecteerde staart- zijn verleden heeft afgebeten en een man zonder geschiedenis geworden is. Hij is, zegt hij zelf, ‘een leeg graf, wachtend op wat komen gaat’. Zijn zelfopgelegde taak is om onrustbarend aanwezig te zijn en te zwijgen.
 
Na zijn bezoek aan Den Haag keert hij terug naar zijn huis in een ‘kernwapen- en allochtonenvrij, gewetenloos, keurig dorp’. Om te kalmeren heeft hij Olga, de nog steeds niet helemaal leeggelopen miskoop ‘met vaginale en anale contractie en rotatie’, en de Makarov, het koude pistool dat hij in Bosnië vond en meegesmokkeld heeft, Partner voor het Leven. Hij haalt zijn dochter Allegra van school en neemt alle moeders de maat, zoals Annebel le Clerc, ‘sexueel ruimschoots terminaal’ en Desiree van der Fock, ‘een velociraptor uit Jurassic Park‘. Alleen Minnie, de aantrekkelijke, alleenstaande moeder van Caroline, het vriendinnetje van zijn dochter, wekt zijn lusten op en boezemt hem daardoor angst in.
 
Met zijn vriend Johan, een literatuurwetenschapper, gaat hij ‘s avonds naar de fitness en daarna naar de Vergulde Leeuw, waar hij Minnie zal ontmoeten. Terwijl hij met Johan het nieuws over de staking van franse vrachtwagenchauffeurs bespreekt komt ze binnen: Minnie Zwamborn, lerares sociaal dromen en creatief luisteren, amandelachtige geur uit haar decolleté, een aantrekkelijke vrouw. Juist het feit dat hij niet weet waarom ze een afspraak hebben brengt hem van zijn stuk. Hij bespeurt gevaar, maar weet niet waar het vandaan komt. Zijn dochter blijft die nacht slapen bij Caroline, en bij het wegbrengen vraagt Minnie geamuseerd aan Fabian of hij ook blijft logeren: alarmfase rood, inkomend vuur!
 
De volgende ochtend lokt hij, berekenend en planmatig, een kromme man, ‘een Koerd wellicht’, uit het asielzoekerscentrum mee naar een afgelegen plek in het park. Met gebruik van de meegebrachte handboeien, verbandgaas, tape en pioniersschep, trapt, slaat en stompt hij de man in blinde razernij, tot hij bewusteloos is. Hij controleert of de man niet in levensgevaar is, stopt een briefje van honderd tussen zijn broekriem en wandelt rustig naar zijn auto terug. Aansluitend gaat hij, alsof er niets gebeurd is, met Karel lunchen in de Appelboom. Karel is meester in de rechten bij het kantoor dat de belangen van de gemeente behartigt, en levensgenieter. Karel adviseert hem om wat meer van het leven te genieten en leert hem romantische sms’jes verzenden. Karel is ook de gesprekspartner over historische veldslagen, die hij op zijn zolderkamer naspeelt. Bosnië hoort daar niet bij, ‘dat was toch geen veldslag?’  
 
Fabian is gevraagd voor een lezing met lichtbeelden over zijn ervaringen in het Land der Barbaren. Op woensdagavond gaat hij die lezing geven in het dorpshuis voor een handvol moeders en twee verdwaalde mannen. De paradox van het onrustbarende zwijgen denkt hij als volgt opgelost te hebben:   
 
‘Eén ding moest hij goed onthouden: op waarheid zat niemand te wachten, sterker nog: wat hij precies zou zeggen deed er absoluut niet toe. De overhand zien te krijgen en niet meer afstaan, dat was waar het op aankwam.’
 
Vóór aanvang van de lezing zet hij eerst met geweld een stageaire de zaal uit, die wil schrijven over trauma en herinnering. De lezing zelf verloopt zonder incidenten, maar tijdens het vragenrondje stelt een van de moeders de vraag in hoeverre dat nou eigenlijk traumatiserend was, zo’n verblijf in een crisisgebied.
  
‘Nee, had hij geantwoord, getraumatiseerd was hij niet. En, gehoor gevend aan een plotselinge ingeving, had hij vervolgd: ‘Als je een worm doormidden snijdt, dan kronkelt alleen de achterste helft, de helft zonder hersenen. Als de worm pijn zou voelen, dan zou juist de helft met hersenen kronkelen. De achterste helft kronkelt omdat de inhibitie, de taak van de hersenen, weggevallen is.’ Hij pauzeerde even. Toen, juist op het moment dat hij de wind goed in de zeilen begon te krijgen en wilde gaan uitleggen dat de worm Nederland was, en dat hij, Fabian, en zij, de geachte aanwezigen, tot de goede helft van de worm behoorden, knapte er iets’.
  
De kortsluiting tussen trauma en werkelijkheid doet Fabian letterlijk met spreekgestoelte en al van het podium donderen, tot grote schrik van de aanwezigen. Als de consternatie enigszins gezakt is komt hij weer bij zinnen. Hij voelt zich smerig, vanwege de vele woorden die hij gesproken heeft, en vraagt zich af hoe het komt dat veel dingen vies worden als ze het lichaam verlaten, zoals snot, spuug, pis, poep, woorden. Na deze verloren slag probeert hij de controle weer te herwinnen. Een deel van het gezelschap gaat ‘nog wat drinken’ bij Annebel, en Fabian moet dan wel mee om verder gezichtsverlies te voorkómen. Op het eind van de avond werkt Annebel het gezelschap, inclusief haar man, langzaam de deur uit en verleidt Fabian in de keuken tot een wellustig, bijna dierlijk sexueel avontuur. Ze raakt erg opgewonden van de vraag wat nou het aller-, aller-, allerergste was wat hij had meegemaakt, en breekt zijn laatste restje weerstand: de enclave is gevallen. De volgende morgen vraagt zijn dochter of hij nu beroemd is, en ook deze vraag, zoals iedere vraag en iedere gebeurtenis, draagt bij aan de verdere escalatie van zijn onrustbarende toestand en van verlies aan controle. Ik zal hier niet verder ingaan op de gebeurtenissen van de laatste dag, daar moet u het boek maar voor lezen. Een happy end is het niet, dat zal niemand verbazen.
 
Tot zover de verhaallijn van deze roman, die misschien meer een essay is over trauma en isolement, maar dan in romanvorm. De werkelijkheid van het verhaal omvat ruim drie dagen uit het leven van Fabian de Groot, waarin hij als een kamikaze-piloot op zijn eigen ondergang afstevent. Het boek is al vele malen gerecenseerd en wordt zeer wisselend gewaardeerd en begrepen. De meeste recensies merken niet op dat de werkelijkheid van het verhaal ook een werkelijkheid in onze samenleving is. Het ontsporen van militairen en veteranen binnen de krijgsmacht en binnen de samenleving komt wel degelijk voor, maar is nog steeds een taboe. Ook dat is verontrustend.
  
Het is in ieder geval een paradoxaal boek, want in het verhaal zet de hoofdpersoon, Fabian, een schrijfster over trauma en herinnering de zaal uit. Er mag over Srebrenica niet gesproken of geschreven worden, omdat de werkelijkheid daarvoor te erg is. Toch lezen we het verhaal, vanuit het benauwende perspectief van Fabian, en we zien hem in zijn kwetsbaarheid en zijn onmacht. Onder zijn superieure cynisme voelt hij zich verraden door zijn land en sluit hij zich van alles en iedereen af. Deze thematiek is erg herkenbaar voor de militairen die in Srebrenica waren en voor veel andere Nederlandse veteranen. Hun verhaal kan niet verteld en gedeeld worden, want het is te erg om te horen en te zien. Het is het taboe van de oorlog, van de rauwe werkelijkheid van wat mensen elkaar aandoen, het raakt het dilemma van de plaats van de krijgsmacht in de samenleving. U hoeft maar te zien hoe het drama van Srebrenica in de afgelopen acht jaar in Nederland is behandeld, en u begrijpt de positie van Fabian de Groot. Mensen als Fabian leven noodgedwongen in een isolement: zij blijven steken in het onverteerbare, kunnen niet leven met de werkelijkheid en worden in diezelfde werkelijkheid niet gekend.
  
Fabian’s uitgesproken cynische commentaar op de Nederlandse samenleving, op militairen en politici, op doormodderaars en hulpverleners, vormt een rode draad in het verhaal. Zíjn verhaal is te lezen als een aanklacht. Fabian is van speler tot aanklager geworden.
 
Kosovo, Bosnië, het maakt niet uit. De doden moeten hun getal hebben. In Kosovo werden de locals afgeslacht vóór we ons ermee gingen bemoeien, in Bosnië erna. Het maakt niet uit. Waar het om gaat is dat we ons ermee bemoeien. Het niet kunnen laten ons ermee te bemoeien. Is goed voor “de zichtbaarheid van het Nederlandse buitenlandse beleid”. Zichtbaarheid als deugd, dieper kun je niet zinken’.
  
Eelco Runia heeft geen historisch werk willen schrijven, daarvoor was immers het NIOD al op pad. En toch heeft hij een diepere laag van dit “Nationale trauma” willen aanraken. In juni van dit jaar heeft de schrijver zijn boek gepresenteerd aan een groep Dutchbat-militairen van de Bravo-compagnie, die destijds in het centrum zaten van de enclave en betrokken waren bij de val. Zij hielden een bijeenkomst in het BNMO-Centrum (Veteraneninstituut) in Doorn, en hadden de schrijver uitgenodigd. Hij legde uit waarom hij nu juist een roman had willen schrijven, en geen historisch werk, wat meer zijn stiel was. De roman biedt mogelijkheden om andere dimensies van het drama zichtbaar en voelbaar te maken. Zijn toelichting was zeer verhelderend en was voor de militairen van groot belang, het boek vond gretig aftrek. De levenshouding van Fabian de Groot, superieur en cynisch, zal voor de militairen wel enige herkenning opleveren. De Nederlandse lafheid en het afschuiven van verantwoordelijkheid is voor hen zeker zeer herkenbaar, want dat heeft Dutchbat-III in negatieve zin zeer geraakt. Zij werden immers door media en publiek gezien als de falende factor. Het heeft acht jaar geduurd voordat de uitvoerende militairen van Dutchbat volledig eerherstel kregen van de regering en het aandeel van de nationale en internationale politiek enigszins verhelderd kon worden.
   
‘Nog steeds sprak het voor hem niet helemaal vanzelf dat de opperleeuw in een leeuwengroep niet de leeuw is die het best jagen kan, maar de leeuw die het best is in het roven van de prooien die de andere leeuwen gejaagd hebben. Het punt is, overwoog hij, dat Nederlanders denken dat het op een bepaald niveau ophoudt, dat je, als je eenmaal minister, generaal of overste bent, netjes en op voet van gelijkheid met opperleeuwen van vergelijkbare rang kunt verkeren. Natuurlijk, ook Nederlandse opperleeuwen weten dat het er niet om gaat het best te kunnen jagen –anders waren ze nooit opperleeuw geworden- maar Nederlandse opperleeuwen onderscheiden zich van hun buitenlandse evenknieën door hun geloof dat opperleeuwen onder elkaar niet jagen, roven of vechten, maar, laten we zeggen, spelen. Dat ook op dat niveau de wet van de jungle geldt, dat hadden Mladić en Karadžić wel, en Kok en Voorhoeve niet begrepen.
 
Alles bij elkaar genomen is het geen gemakkelijk boek, niet in het taalgebruik en niet in de thematiek. Het verhaal laat zich niet gemakkelijk veroveren, maar dan, voor wie de moeite neemt, levert het ook wat op, ook al is dat soms onaangenaam. Omdat veel Nederlanders het NIOD rapport of de parlementaire enquete niet uitgebreid hebben gevolgd, is het goed dat er ook een roman is, die een grote vraag in onze samenleving aan de orde stelt: ‘hoe dapper is eigenlijk de Nederlandse leeuw? Waar staan we, als het er op aan komt?’ En dan gaat het niet alleen over de Nederlandse soldaten, maar ook over journalisten, politici en kiezers, kortom over u en mij.
 
 
Van harte aanbevolen.