Liedvertalingen Bavo Hopman

Verhalen van een uitzending

 “Wie verre reizen doet kan veel verhalen”, is een gevleugelde uitdrukking in onze taal. Een militaire missie is op te vatten als een verre reis. De uitdrukking suggereert dat militairen veel kunnen vertellen over hun missie. Maar kunnen ze dat ook, en vooral: doen ze dat ook? Deze vraag stellen we in dit artikel aan de orde. Daarbij gaat het vooral om ervaringen, die indruk hebben gemaakt, die een sterke (positieve of negatieve) emotionele lading hebben, die ‘op het netvlies gebrand’ in de herinnering aanwezig blijven. In de militaire praktijk gaat het dan vaak om de confrontatie met oorlogsomstandigheden, schokkende of bedreigende gebeurtenissen, extreme armoede of uitzichtloosheid, maar ook om positieve gebeurtenissen, zoals feestelijke berichten van het thuisfront (bijvoorbeeld de geboorte van een kind) of een geslaagde hulpactie. De confrontatie met de oorlog kan gepaard gaan met een gevoel van machteloosheid als men gebonden is aan ‘intervention rules’ waarbij de geweldsinstructies actief ingrijpen veelal verhinderen. Weisaeth spreekt in dit verband zelfs over een ‘UN-soldiers stress syndrome’.

Dit artikel gaat over mannelijke en vrouwelijke militairen, maar voor de leesbaarheid kiezen we voor ‘hem’. Het is bedoeld voor iedere militair en ex-militair van elk krijgsmachtdeel, maar het is extra van belang voor individueel uitgezondenen, omdat het delen van herinneringen moeilijker is wanneer je geen directe kameraden hebt met gemeenschappelijke ervaringen.
 
Wel of niet ervaringen delen
U hoeft maar om u heen te kijken, op het werk of thuis of waar u maar bent, en u ziet het gebeuren: als mensen iets belangrijks meemaken dan praten ze daarover. De één wat vaker en de ander wat minder vaak, de één met zijn partner en de ander met iedereen die het maar horen wil, maar praten doen we, allemaal. Een waarheid als een koe. Het is zo’n algemeen, alledaags verschijnsel dat we er niet eens bij stilstaan. We vragen ons meestal niet af met wie we onze ervaringen zullen delen of waarom we ze delen, we doen het gewoon.
Toch zijn er omstandigheden waarin mensen zelfs hun meest ingrijpende ervaringen niet zo makkelijk met elkaar delen. Dat geldt bijvoorbeeld voor brandweerlieden, ambulance-verpleegkundigen, politiemensen, journalisten en militairen die met rampen of oorlogsomstandigheden te maken krijgen. Het vereiste optreden verdraagt op dat moment niet het tonen van de eigen emoties. De opdracht moet tot een goed einde worden gebracht. Je parkeert wat je voelt op zo’n moment, ten gunste van direct handelend optreden. Het werk vraagt een optimale fysieke en mentale concentratie, en je eigen emoties raken daarbij op de achtergrond. Dat is belangrijk voor het werk onder moeilijke omstandigheden en dat is ook goed. Later is er weer ruimte om nog eens bij jezelf stil te staan.......
Een volgende reden om emotionele ervaringen niet te delen is de vermeende onkwetsbaarheid. Als militair (of bijvoorbeeld als brandweerman of -vrouw) heb je geleerd zo min mogelijk kwetsbaar te zijn, voor je eigen veiligheid en die van je eenheid. Onzekerheid en angst horen op het slagveld of bij een crisissituatie niet thuis. Ferme jongens, stoere knapen. De Nederlandse krijgsmacht heeft een reputatie hoog te houden. Harde bikkels zijn we. Nogmaals: dat is in de hitte van de strijd zinvol, maar welke vrouw wil zo’n harde bikkel als man, welk kind wil zo’n vader?
Ten slotte is ook nog van belang of het verhaal wel op vruchtbare bodem terecht kan komen. Staat de luisteraar er voor open, en is het gesprek geen eenrichtingsverkeer?
 
“Family and friends soon stop asking about the mission experience and, without the ability to talk with people who shared that experience they may feel isolated and lonely”[1]
 
Daar speelt ook bij mee welke opvattingen er circuleren over de uitzending[4 ][3]. Betrokkenen hebben dan het idee dat er geen waardering en erkenning is voor hun inzet, terwijl publieksonderzoek uitwijst dat ‘De Nederlander’ zijn veteranen wel degelijk positief waardeert 
 
 Kameraden
Tijdens een uitzending ga je niet om vijf uur naar huis. Er is geen privédomein meer, werk en privé lopen in elkaar over, binnen de eenheid wordt vrijwel alles met elkaar gedeeld. Vanwege het werken onder grote stress ben je ook sterk van elkaar afhankelijk. Daardoor ontstaat, als het goed is, een sterke kameraadschap. Je staat voor elkaar in, deelt lief en leed met elkaar, staat met elkaar doodsangsten uit en viert met elkaar de goede afloop. Sommige militairen omschrijven die kameraadschap als diepgaander dan vriendschappen. Bovendien maken de kameraden ongeveer hetzelfde door, er is sprake van veel gemeenschappelijke ervaringen. Daarom hoef je niet alles uit te leggen: een kameraad heeft aan een half woord genoeg. Ook na terugkomst blijven de kameraden erg belangrijk. Je komt terug in een wereld waarin de meeste mensen niet begrijpen hoe het was, en waarin het soms moeilijk is om de aansluiting weer te vinden. Kadushin beschrijft dat veteranen met soortgelijke ervaringen meer geschikt zijn om de pijnlijke herinneringen te kunnen begrijpen dan non-combattanten [5].
Dit alles maakt dat kameraden niet alleen tijdens de uitzending, maar  ook vaak lang daarna, de belangrijkste gesprekspartners zijn als het gaat om het delen van ervaringen. Militairen die een hechte eenheid vormden, zijn daarbij in het voordeel.
 
Voor individueel uitgezondenen, waarnemers bijvoorbeeld, of militairen die op het laatst aan een eenheid worden toegevoegd of tijdelijk worden ingevlogen, bestaat die kameraadschap meestal niet. Deze militair staat relatief alleen en heeft minder contactmogelijkheden. Ook bij terugkomst blijft dat zo. Bij terugkomst in de eigen eenheid (of een andere eenheid in geval van overplaatsing) is er niemand die weet waar hij geweest is of wat hij heeft meegemaakt, soms zelfs niemand die hem kent.
 
Wat tijdens de uitzending met de eenheid een groot voordeel is, kan later in een nadeel veranderen: als kameraden elkaar uit het oog verliezen, door het veranderen van onderdeel, door een volgende missie of door het verlaten van de dienst, is er opeens niemand meer aan wie je alles kwijt kunt en die je vanzelfsprekend begrijpt. De sociale structuur binnen de krijgsmacht is door de veranderingen van de laatste tien jaar veel losser geworden. Je kunt veel moeilijker terugvallen op je eenheid en je kameraden. De rol van kameraden kan moeilijk door anderen overgenomen worden, je bent iets kwijtgeraakt en blijft alleen met je herinneringen. Daar komt nog bij dat de relatie met kameraden een relatie is die het verleden vertegenwoordigt. Het leven in het hier en nu is een ander verhaal.
 
 Partners
Ook de thuisblijvende partners vervullen, zeker als er kinderen zijn, een soort missie, de thuismissie. Sommige vinden zelfs dat het thuisfront meer dan de uitgezonden militair lijdend voorwerp is van de uitzending [6].   In ieder geval wordt de belasting voor de thuisblijvende partner vaak onderschat. Zij moet zich een half jaar als alleenstaande ouder, en met de spanning van hoe het daar zal gaan, zien te redden. Ook zij kan haar verhalen moeilijk delen, ze heeft geen kameraden en mist haar eigen maatje. In  sommige gevallen ontstaat, via de thuisfrontdagen of anderszins, vriendschap, lotgenotencontact tussen partners. Dit geldt natuurlijk in vergelijkbare mate voor de kinderen en, met name als de militair nog thuis woont, voor de ouders.
 
“Hun partners konden er wél voor uitkomen, dat het ongeluk veel bij hen had losgemaakt. Ze werden niet gehinderd door de -overigens noodzakelijke- beroepsattitude: de machocultuur die vliegers in staat stelt onder alle omstandigheden te functioneren 
   [7].
 
 
Leidinggevenden
 Tijdens de uitzending, maar ook daarvoor en daarna, hebben de commandant en zijn kader een uiterst belangrijke rol in het creëren van een groepscultuur waarin het delen van ervaringen niet taboe is. Belangrijk hierbij is de voorbeeldfunctie, door goed te luisteren en ook zelf openheid te betrachten, maar ook door het verstrekken van informatie, het onderkennen en hanteren van werkstress, het organiseren van debriefings en het erkennen (en mogelijk oplossen) van problemen die zich voordoen binnen de eenheid. Een commandant zou alles moeten doen wat de cohesie bevordert en de onderlinge omgang en de omgang met het thuisfront ‘menselijk’ maakt. Uit verschillende onderzoeken onder ‘Military Peacekeepers’ komt het belang van open communicatiemogelijkheden, zowel binnen de eenheid als naar het thuisfront, overtuigend naar voren[8].   
 
Leven in twee werelden
Sommige militairen zijn zo goed getraind in ‘sterk zijn’ dat het een soort tweede natuur wordt. Die manier van omgaan met problemen, die in het werk gewenst of gewoon is, wordt dan ook de manier om er voor jezelf mee om te gaan. Ook de militair wordt beïnvloed door de cultuur waarin hij leeft. In de militaire cultuur wordt de emotionele impact vaak ontkend. Toegeven aan emoties wordt vaak als zwak ervaren. De ervaringen worden echter wel opgeslagen in de herinnering (soms achter ijzeren deuren) waar ze een blijvende last kunnen vormen. Je ziet dat soms bij oorlogsveteranen: ze blijven achter iedere boom een vijand zien, ook als het al vijftig jaar vrede is. Ze laten niemand in hun wereld toe. Ze lossen problemen op met geweld. Ze geven hun kinderen een militaire, harde opvoeding. Hun nachtmerrie wordt werkelijkheid.
Maar ook veel vredesmissieveteranen worstelen met het verschil tussen de wereld daar en de wereld thuis. De ingrijpende ervaringen uit de missie hebben je veranderd en laten je niet los. Je probeert ze te vergeten door er niet over te praten en je op andere dingen te richten. Zo kunnen deze ervaringen tot (blijvende) last worden. Maar praten over emotionele gebeurtenissen kan de last verminderen en helpen om deze op een afdoende manier in het persoonlijke referentiekader te integreren.“Social sharing helps to clean the windows of the mind”[9]. Zo gaan de gebeurtenissen een onderdeel vormen van de persoonlijke levensgeschiedenis.

“Ik ben nu zes maanden teruggekeerd in Nederland en de moeizame periode van de terugkeer in het gezin is nauwelijks achter de rug. Proberen te vergeten en vermijden te spreken over de Joego-periode is min of meer ingeslopen in de communicatie met mijn vrouw. Dit is de laatste dagen uitermate moeilijk”[10].
 
Militairen met uitzendervaring leven als het ware in twee werelden: aan de ene kant de wereld van armoede en oorlog, de militaire wereld temidden van kameraden en daar tegenover de wereld van welvaart, de wereld van relatieve vrede thuis temidden van intimi. Die werelden zijn totaal verschillend en vaak moeilijk met elkaar te rijmen. Voor elk van die werelden is een totaal verschillende opstelling nodig. Die knop zet je niet zo maar even om. Bovendien is het leven doorgegaan, je bent zelf veranderd, maar thuis zijn er ook dingen veranderd. Het is te vergelijken met een ingewikkelde puzzel die stukje voor stukje op zijn plaats moet vallen. Daarbij is het moeilijk om onder woorden te brengen wat je zelf nog niet goed kunt bevatten. 

“De intensiteit van de gevoelens, de betrokkenheid bij de omgeving en de eigen plaats te midden van hen, die mij dierbaar (geworden) zijn, dit alles perst zich als een scheidslijn tussen mijn twee huizen….. Ik merk dat leven in twee huizen niet kan, maar kiezen is een onuitvoerbare paradox”[11].
 
Veel militairen vertellen thuis “niet alles”, vanuit het idee dat het thuisfront daar niet tegen bestand zou zijn, of dat niet zou begrijpen. Dat begint al bij de brieven en de telefoontjes tijdens de uitzending, en bij het verlof. De gewoonte om te melden dat de situatie rustig is -“Wat had je eraan om te weten wat daar gebeurde; je kon er toch niets aan doen”[12]- wordt thuis voortgezet. Toch zien we zelden echtgenotes die bezweken zijn onder de last van het verhaal van hun man. Integendeel, de grote klacht van de echtgenotes betreft de geslotenheid van hun mannen en hun zelfgekozen isolement. Door het zwijgen komen de verhoudingen thuis soms onder grote druk te staan. Niet iedere militair is in staat om te praten over wat het hem doet, daar is hij niet voor opgeleid of niet mee opgegroeid. De opleiding en training van militairen richt zich op het overleven in oorlogsomstandigheden, niet op het overleven nadien. 

“Soms zie ik dat iets hem aangrijpt, dat iets bepaalde emoties bij hem oproept. Dan zou ik er met hem over willen praten, maar ik probeer het al niet meer....Praten kan hij alleen met degenen die hetzelfde hebben meegemaakt, aan wie hij niets hoeft uit te leggen....Hij kan ook heel goed naar hun verhalen luisteren. Praten doet hij ook met zichzelf in zijn gedichten en boeken, wetend dat hij daarmee niet alleen zichzelf helpt, maar ook de ander. Het doet me wel verdriet dat hij nooit spontaan aan mij laat lezen, wat hij geschreven heeft”[13]
.
 
Onderzoek
We hebben gezien dat het leven in twee werelden het delen van ervaringen voor militairen bemoeilijkt. In het volgende deel bespreken een onderzoek naar het delen van emotionele ervaringen. Het betreft algemeen onderzoek onder veel verschillende bevolkingsgroepen en in verschillende culturen.
 
Social sharing komt algemeen voor
De Belgische professor Bernard Rimé, van de Universiteit van Louvaine-la-Neuve, doet al jaren onderzoek naar ‘social sharing of emotions’[14]. Social sharing kan meer zijn dan praten, je kunt immers ook je ervaringen (mede-)delen door ze op te schrijven in een verhaal of gedicht. Je kunt ook je herinneringen vastleggen in foto’s, tekeningen of schilderijen of op nog andere manieren. Hierbij worden de ervaringen zichtbaar, tastbaar en bieden op deze manier de mogelijkheid om ze te kunnen delen en verwerken. 
Rimé en zijn onderzoeksgroep beschrijven dat ingrijpende gebeurtenissen in iemands leven én traumatische ervaringen over het algemeen mentale herinneringen uitlokken. Bij deze herinneringen komen gedachten aan of beelden van de gebeurtenis herhaaldelijk aan de oppervlakte van het bewustzijn, zelfs als het individu dit probeert te vermijden.
 
“Als ik in de afgelopen maanden één dag níet met Rwanda bezig ben geweest, dan is dat veel. Er zijn allerlei gebeurtenissen die de beelden van daar weer oproepen. Je kunt niet van de ene op de andere dag de knop omdraaien, doen alsof er niets gebeurd is. De week na mijn terugkomst ging ik met mijn geliefde op vakantie naar Griekenland. Je bent moe, je wilt afstand nemen. Vanaf het balkon van ons vakantiehuisje keek ik uit op een prachtig landschap. Heuvels die tot in het oneindige doorliepen. Vlak voor ons huis liep een greppel, met bosjes ervoor. Die greppel heeft me de hele vakantie geteisterd. Iedere keer als ik er langs liep, werd ik herinnerd aan een theeplantage die we dáár bezochten. Bij die theeplantage liepen ook greppels, alleen in die greppels lagen lijken die we moesten onderzoeken. Ik kon niet loskomen van dat beeld. Ik zag steeds thee voor me met opgezwollen lijken erin”[15].
 
De onderzoekers hebben ondekt dat mannen en vrouwen van alle leeftijden, uit alle bevolkingsgroepen en uit verschillende culturen hun positieve én negatieve emotionele ervaringen delen. Daarbij komen wel onderlinge verschillen voor. Jongeren bijvoorbeeld delen hun gevoelens vooral met hun ouders, gehuwde mannen boven de veertig met hun partner en vrouwen met partner en vriendinnen. Ouderen delen meer en vaker dan jongeren. Boze gevoelens worden veel sneller gedeeld dan gevoelens van verdriet. Ook schrijft Zech dat situaties waarbij verdriet meespeelt waarschijnlijk langduriger en moeilijker te verwerken zijn dan angstoproepende situaties[16]. Onderzoek toont aan dat onderdrukking van reacties na een traumatische gebeurtenis leidt tot lichamelijke activatie welke op den duur een stressor wordt en leidt tot meer fysieke ziekten en een lager subjectief welbevinden[17].
 
Opvallend is dat ook pijnlijke gebeurtenissen en herinneringen net zo vaak gedeeld worden als plezierige. Dit geldt ook voor gebeurtenissen die met gevoelens van schuld of schaamte beladen zijn.
Het delen van plezierige herinneringen roept plezier op. Evenzo roept het delen van pijnlijke, verdrietige of angstige gebeurtenissen weer opnieuw de pijn, het verdriet of de angst op. Je zou dus kunnen verwachten dat we het delen van negatieve emoties eerder zouden vermijden. Het onderzoek stelt vast dat we alle soorten herinnering die we ons bewust worden met anderen delen, ook als dat negatieve emoties oproept, en dat mensen het zelfs prettig vinden om negatieve emoties te kunnen delen. Over het algemeen wordt aangenomen dat dit delen van emoties een fundamenteel aspect is van het verwerkingsproces, met andere woorden: ‘praten helpt’. Dat dit niet alleen in Nederland geldt illustreert het volgende citaat:
 
“I had lost a lot of weight yet carried a heavy burden. I knew that I could only truly settle in at home by talking with my wife about what happened in East Timor and how I felt about it and my role there. That meant that I needed to be honest with her about continuing feelings that included anger, frustration and sadness, as well as pride at what I considered to be a job well done. My wife’s support and understanding helped to heal the wounds from the trauma of East Timor”[18].
 
Secondary social sharing
Als we een ervaring met iemand delen, bijvoorbeeld met een vriend, dan maakt ons verhaal op die vriend ook weer een bepaalde indruk. Als het gaat om een emotioneel verhaal dan roept dat ook weer emoties op bij de toehoorder. Mag men veronderstellen dat de vriend in dit voorbeeld het verhaal voor zich houdt? Uit onderzoek blijkt dat meestal een soort kettingreactie ontstaat, zelfs als de eerste verteller gevraagd heeft om vertrouwelijkheid[19]. Hoe sterker de emoties in het verhaal, hoe langer de ketting en hoe groter dus de kring van vertellers en toehoorders. Het verzoek om vertrouwelijkheid heeft daar nauwelijks invloed op. Zo ontstaat dus een netwerk van gedeelde informatie waaruit erkenning en steun kan voortkomen en die als het ware een buffer kan vormen tegen isolement.

Praten helpt
Het idee dat praten helpt is een tamelijk wijd verbreide gedachte. Praten over iets dat je bedrukt geeft ook meestal verlichting of een gevoel van bevrijding. Als we niet praten blijft er een zekere spanning bestaan en kunnen er op langere termijn spanningsklachten ontstaan. We nemen aan dat praten de nodige ordening aanbrengt in soms verwarrende gevoelens. Door het benoemen van emoties in woorden en door met iemand te praten krijgen de gebeurtenissen een naam en een betekenis, en raken ze georganiseerd in een verhaal. We kunnen onze ideeën over de gebeurtenis, over de wereld en over ons zelf toetsen aan wat anderen erover denken. Op deze manier kunnen we een beetje afstand nemen tot het gebeurde en de spanning verminderen.
 
Er zijn inderdaad onderzoeken die aantonen dat het bespreken van trauma-gerelateerde gevoelens en gedachten een positief effect heeft op gezondheid en welbevinden. Mensen die er niet over spraken rapporteerden meer gezondheidsklachten en een lager welbevinden. Toch kon niet aangetoond worden dat door het bespreken een emotioneel herstel optreedt, met andere woorden dat de herinnering minder pijnlijk wordt. In de meeste onderzoeken kan geen verband gevonden worden, net zo min als in de literatuur over debriefing. Hoewel deelnemers aan debriefingsgesprekken dit over het algemeen als positief of heilzaam ervaren kan onderzoek niet aantonen dat het invloed heeft op het emotioneel herstel[20]. Ook in het onderzoek naar social sharing komt steeds naar voren dat de deelnemers wel heilzame effecten rapporteren, maar dat emotioneel herstel niet objectief vastgesteld kan worden.   
 
Hoe zijn dan wel die heilzame effecten te verklaren? Het nut van praten over je ervaringen moet vooral gezocht worden in het ophelderen van verwarrende of tegenstrijdige gevoelens, van ideeën over de situatie of over jezelf. Daarbij komt dat het bespreken van moeilijkheden ook steun mogelijk maakt. De gesprekspartner kan het verhaal begrijpen en accepteren, kan de gevoelens op waarde schatten en de problemen herkennen die daaraan verbonden zijn. De afstand tussen verteller en luisteraar wordt kleiner en de sympathie neemt toe. Het risico van piekeren (eventueel in gezelschap van een fles) neemt daardoor sterk af en de heftigheid van de emoties en de opgeroepen spanning verminderen.
Bovendien neemt de kennis bij de groep luisteraars toe, waardoor meer begrip kan ontstaan. Doordat de luisteraars er ook weer over praten onstaat een steeds grotere kring van bekendheid, die de maatschappelijke kennis ten goede komt. Zo zouden bijvoorbeeld militairen kunnen bijdragen aan het opheffen van het publieke geheim over de impact van uitzendingen.
Samenvattend zou je kunnen zeggen dat communicatie de afstand kan overbruggen tussen twee werelden die eerst zo verschillend leken.
 
Conclusies
Social sharing, praten over emotionele ervaringen, is een algemeen voorkomend verschijnsel. In de situatie van (ex-)militairen is dat nog steeds niet vanzelfsprekend. Mensen die emotionele ervaringen met anderen delen, ervaren dit als heilzaam. Er zijn ook aanwijzingen dat sharing de cognitieve en sociale integratie bevordert. Het is echter onduidelijk, of dit bijdraagt aan het herstel van eventueel aanwezige problemen. Wel is duidelijk, op grond van de literatuur en van onderzoek, dat het niet delen van emotionele ervaringen samenhangt met het vóórkomen van klachten en problemen. Het bevorderen van een cultuur waarbij open omgegaan wordt met emotionele ervaringen is dan ook van belang voor de militaire organisatie en voor de veteranenzorg. Het Veteraneninstituut draagt daaraan bij, onder andere door het bevorderen van lotgenotencontact.
Hoe social sharing in de praktijk precies werkt en op welke manier de beste effecten kunnen worden bereikt, is een zaak van nader onderzoek.


Literatuur
 
Danieli, Y. (ed.) (2001). Sharing the front lines and the back hills; Peacekeepers, humanitarian aid workers and the media in the midst of crisis. Baywood publishing company, New York.
 
Dienst Humanistische Geestelijke Verzorging (2001). Thuis op avontuur. Thema 7. Den Haag.
 
Gersons, B.P.R. (2001). Debriefing vermindert de kans op posttraumatische stress-stoornis niet. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid 56, 6; pp.570-571.
 
Kadushin, C. (1986). The interpersonal environment and social interaction. Psychological Trauma. Washington DC: American Psychiatric Press.
 
Lardenoye, F. (2001). De pijn van DutchbatIII. In: Checkpoint, Tijdschrift voor oude en jonge veteranen, Nr. 7, Oktober 2001.
 
Maas, M. en B. Hopman (2000). De betekenis van herdenken. Militaire Spectator, jrg. 169, nr. 5, p.269.
 
Mentink-Heshusius, M. (1998). Gescheurde Levens; Gesprekken met naasten van oorlogs- en dienstslachtoffers. Heuff, Amsterdam.
 
Mouthaan, J. (2001). Wat willen jonge veteranen? Exploratie van Wensen en Behoeften van Jonge Veteranen. Veteraneninstituut, Doorn.
 
Pinedo, D. en F. Verkuijl (1997). Een hoofd vol herinneringen; werken in risicogebieden. Babylon-de Geus, Amsterdam.
 
Rimé, B., P. Philippot, S. Boca and B. Mesquita (1992). Long-lasting Cognitive and Social Consequences of Emotion: Social Sharing and Rumination. European Review of Social Psychology, Volume 3, chapter 8. Wiley & Sons Ltd.  
 
Rimé, B., C. Finkenauer, O. Luminet, E. Zech and P. Philippot (1998). Social Sharing of Emotion: New Evidence and New Questions. European Review of Social Psychology, Volume 9, pp 145-189. Wiley & Sons Ltd.  
 
Scherpen, J. (2001). Invloed van Social Sharing op de Cognitieve en Sociale Integratie van Emotionele Gebeurtenissen Meegemaakt Tijdens Oorlogs- of Crisissituaties. Veteraneninstituut, Doorn.
 
Schoeman, J. (2001). Veel waardering voor Dutchbat. In: Checkpoint, Tijdschrift voor oude en jonge veteranen, Nr. 7, Oktober 2001.
 
Soir, E. De (2000). Op het netvlies gebrand...! Traumatische stress bij hulpverleners. Garant, Leuven-Apeldoorn.
 
Swart, H.W. de en C.W. Thuisman (2000). Het Veteraneninstituut. In: Militaire Spectator, jaargang 169, nr. 5, pp. 275-286.
 
Weisaeth, L. (1990). The Stress of Peace-Keeping. In: J.E. Lundberg, U. Otto, & B. Rydbeck (Eds.), Wartime Medical Services (pp. 375-395). Stockholm: FOA.
 
Wolf, R. Van der (2000). Vóór Joego was ik al grijs. Wolf legal productions, Nijmegen.
 
Zech, E. (2000). The effects of the Communication of Emotional Experiences. Belgium: SABAM.

[1] Danieli (2001), p.14.
 
[2] Maas en Hopman (2000).
[3] Lardenoye (2001).
[4] Schoeman (2001)
[5] Kadushin (1986) p.130.
[6] Raadsman Rob Geene (2001) in: Thuis op avontuur.
[7] Mentink-Heshusius (1998), p.35.
[8]Danieli (2001), p.384.
[9] Dori Laub (2001) persoonlijke mededeling op 10 mei 2001.
[10] Wolf (2000), p.157.
[11] Wolf (2000), p.37.
[12] Mentink-Heshusius (1998), p.38
[13] Mentink-Heshusius (1998), p.59.
[14] Rimé et al. (1992; 1998)
[15] Pinedo en Verkuijl (1997), p.83-84.
[16] Zech (2000), p.158
[17] Zie: Rimé et al.(1998), pp.170-171.
[18] Danieli (2001), p.30.
[19] Christophe en Rimé (1979).
[20] Zie bijvoorbeeld Gersons (2001), pp.570-571