Shakespeare songs

William Shakespeare / William Mathias

Under the greenwood tree

Under the greenwood tree
Who loves to lie with me,
And tune his merry note
Unto the sweet bird’s throat,
Come hither come hither come hither:
Here shall he see no enemy
But winter and rough weather.

Who doth ambition shun,
And love to live in the sun,
Seeking the food he eats,
And pleased with what he gets
Come hither come hither come hither:
Here shall he see no enemy
But winter and rough weather

Onder de groene bomen

Wie wil er bij mij komen
Onder de groene bomen,
En dan zingen zijn wijsjes
Met d’allerliefste sijsjes,
Kom hierheen en probeer:
Hier kan geen vijand komen
Dan winter en slecht weer.

Wie wil graag zonnig leven,
Ambities opgegeven,
Zijn eigen eten plukken,
De oogst zal hem verrukken,
Kom hierheen en probeer:
Hier kan geen vijand komen
Dan winter en slecht weer.

Full fathom five

Full fathom five thy father lies;
Of his bones are coral made;
Those are pearls that were his eyes:
Nothing of him that doth fade,
But doth suffer a sea-change
Into something rich and strange.
Sea-nymphs hourly ring his knell:
Hark! now I hear them,—ding-dong, bell.

Vijf vadem diep

Vijf vadem diep ligt uw vader
Zijn botten zijn veranderd in koraal
Waar zijn ogen waren zijn nu parels:
Niets van zijn lichaam verging totaal,
Maar de zee-tover die hij ondergaat
Geeft een kostbaar en wonderlijk resultaat.
Zeenimfen luiden ieder uur zijn doodsklok wel:
Luister! nu hoor ik hem, ding-dong, bel.

Lawn as white as driven snow

Lawn as white as driven snow,
Cypress black as e’er was crow,
Gloves as sweet as damask roses,
Masks for faces and for noses,
Bugle bracelet, necklace amber,
Perfume for a lady’s chamber,
Golden quoifs and stomachers,
For my lads to give their dears,
Pins and poking-sticks of steel,
What maids lack from head to heel.
Come buy of me, come. Come buy, come buy.
Buy, lads, or else your lasses cry.
Come buy.

Linnen als stuifsneeuw zo wit

Linnen als stuifsneeuw zo wit,
Rouwband als kraaien zo git,
Handschoentjes zoet als ’n roos van damast,
Een masker voor het gezicht dat past,
Groene armbanden, barnstenen kettingen,
Parfum voor dames en meer van die dingen,
Gouden kapjes en een schort,
De liefjes komen niets tekort,
Speldjes en roerijzers van staal,
Voor de meisjes hebben we het allemaal,
Wie maakt me los, kom, koop bij mij
Koop jongens, maak je meisje blij.
Koop bij mij.

Sigh no more, ladies

Sigh no more, ladies, sigh no more.
Men were deceivers ever,
One foot in sea, and one on shore,
To one thing constant never.
Then sigh not so, but let them go,
And be you blithe and bonny,
Converting all your sounds of woe
Into hey nonny, nonny.

Sing no more ditties, sing no more
Of dumps so dull and heavy.
The fraud of men was ever so
Since summer first was leafy.
Then sigh not so, but let them go,
And be you blithe and bonny,
Converting all your sounds of woe
Into hey, nonny, nonny.

Zucht niet zo, dames

Zucht niet zo, dames, gebruik je verstand.
Mannen hebben ons altijd bedrogen,
Niet kiezen tussen zee en land,
Altijd weer naar een ander gevlogen.
Zucht niet zo, maar laat ze gaan,
Wees liever monter en happy,
Laat al je treurnis overgaan
In een hey happy clappy.

Zing niet zo klaaglijk, zit niet meer
in de put, zo stil en aangedaan,
Mannen bedrogen ons keer op keer
Al zolang als de zomers bestaan.
Zucht niet zo, maar laat ze gaan,
Wees liever monter en happy,
Laat al je treurnis overgaan
In een hey happy clappy.

Crabbed Age and Youth

Crabbed age and youth cannot live together:
Youth is full of pleasure, age is full of care;
Youth like summer morn, age like winter weather;
Youth like summer brave, age like winter bare.
Youth is full of sport, age’s breath is short;
Youth is nimble, age is lame;
Youth is hot and bold, age is weak and cold;
Youth is wild, and age is tame.
Age, I do abhor thee; youth, I do adore thee;
O, my love, my love is young!
Age, I do defy thee: O, sweet shepherd, hie thee,
For methinks thou stay’st too long.

Ouderdom en jeugd

Ouderdom en jeugd gaan niet samen meer:
Jeugd is vol plezier, ouderdom is vol narigheid;
Jeugd als zomerochtend, ouderdom als winterweer;
Jeugd als zomerse moed, ouderdom als wintertijd.
Jeugd is vol sport, oude adem komt te kort;
Jeugd is lichtvoetig, ouderdom is lam;
Jeugd is strak en stout, ouderdom is zwak en koud;
Jeugd is wild en ouderdom tam.
Ouderdom, ik walg van u, jeugd ik aanbid u;
O, mijn lief, naar wie ik zo verlang!
Ouderdom, ik trotseer u: O, lieve herder, ga nu,
Want je blijft al te lang.

Dirge

Fear no more the heat o’ the sun;
Nor the furious winter’s rages,
Thou thy worldly task hast done,
Home art gone, and ta’en thy wages:
Golden lads and girls all must,
As chimney sweepers come to dust.

Fear no more the frown of the great,
Thou art past the tyrant’s stroke:
Care no more to clothe and eat;
To thee the reed is as the oak:
The sceptre, learning, physic, must
All follow this, and come to dust.

Fear no more the lightning-flash,
Nor the all-dreaded thunder-stone;
Fear not slander, censure rash;
Thou hast finished joy and moan:
All lovers young, all lovers must
Consign to thee, and come to dust.

No exorciser harm thee!
Nor no witchcraft charm thee!
Ghost unlaid forbear thee!
Nothing ill come near thee!
Quiet consummation have;
And renowned be thy grave!

Elegie

Wees niet bang meer voor de zon,
Noch voor woeste wintervlagen,
U deed uw taken zoals u kon,
U bent nu thuis, heeft uw lot gedragen:
Ook jongens en meisjes in mooie kleren
Moeten net als schoorsteenvegers tot stof wederkeren.

Wees niet bang, ook niet voor macht,
U geeft de tyrannen het nakijken:
Bekommer u niet meer om voedsel of dracht;
Voor u is het riet gelijk aan de eiken:
Ook koningen, studenten, dokters capituleren
En moeten tot stof wederkeren.

Wees niet bang voor blikseminslag,
Noch voor de doodenge donderslagen;
Vrees geen kritiek of tegenslag;
U bent voorbij vreugde en klagen:
Alle jonge geliefden, al die de liefde eren
Volgen uw lot: tot stof wederkeren.

Geen duiveluitdrijver schade u!
Geen hekserij verleide u!
Ronddolende geesten respecteren uw rust!
Geen spoortje kwaad dat u verontrust!
Dat rust en vrede u bereiken,
En glorie op uw graf mag prijken!

It was a Lover and his Lass

It was a lover and his lass,
With a hey, and a ho, and a hey nonino,
That o’er the green cornfield did pass,
In the springtime, the only pretty ring time,
When birds do sing, hey ding a ding, ding;
Sweet lovers love the spring.

Between the acres of the rye,
With a hey, and a ho, and a hey nonino,
Those pretty country folks would lie,
In the springtime, the only pretty ring time,
When birds do sing, hey ding a ding, ding;
Sweet lovers love the spring.

This carol they began that hour,
With a hey, and a ho, and a hey nonino,
How that a life was but a flower
In the springtime, the only pretty ring time,
When birds do sing, hey ding a ding, ding;
Sweet lovers love the spring.

And therefore take the present time,
With a hey, and a ho, and a hey nonino,
For love is crownèd with the prime
In the springtime, the only pretty ring time,
When birds do sing, hey ding a ding, ding;
Sweet lovers love the spring.

Een minnaar en zijn meisje

Een minnaar en zijn meisje kwamen,
Van je hé en je ha, en je hé tralala,
In groene roggevelden samen,
In het voorjaar, de mooiste tijd voor een paar,
Waar vogels zingen, tweedle dee, tralala,
Daar houden minnaars van elkaar.

Tussen akkers vol met halmen
Van je hé en je ha, en je hé tralala,
Waar mooie mensen niet lang talmen,
In het voorjaar, de mooiste tijd voor een paar,
Waar vogels zingen, tweedle dee, tralala,
Daar houden minnaars van elkaar.

Daar zongen ze hun minnelied,
Van je hé en je ha, en je hé tralala,
Het leven is zo slecht nog niet,
In het voorjaar, de mooiste tijd voor een paar,
Waar vogels zingen, tweedle dee, tralala,
Daar houden minnaars van elkaar.

Pluk daarom steeds de dag als ’t kan,
Van je hé en je ha, en je hé tralala,
Want dáár houdt prille liefde van,
In het voorjaar, de mooiste tijd voor een paar,
Waar vogels zingen, tweedle dee, tralala,
Daar houden minnaars van elkaar.

Blow, blow thou Winter Wind

Blow, blow, thou winter wind,
Thou art not so unkind
As man’s ingratitude;
Thy tooth is not so keen,
Because thou art not seen,
Although thy breath be rude.
Heigh-ho! sing, heigh-ho! unto the green holly:
Most friendship is feigning, most loving mere folly:
Then, heigh-ho, the holly!
This life is most jolly.

Freeze, freeze, thou bitter sky,
That dost not bite so nigh
As benefits forgot:
Though thou the waters warp,
Thy sting is not so sharp
As friend remembered not.
Heigh-ho! sing, heigh-ho! unto the green holly:
Most friendship is feigning, most loving mere folly:
Then, heigh-ho, the holly!
This life is most jolly.

Waai, waai gij Winterwind

Waai, waai gij winterwind
U bent niet zo onbemind
Als onz’ ondankbaarheid;
Uw tand is niet zo scherp
Onzichtbaar onderwerp,
Al brengt uw adem bruutheid.
Zing hé, hé onder het groen:
Meestal is vriendschap fake, en liefde op rantsoen:
Dus hé, hé, ’t is groen!
Dit leven is de kampioen.

Vries, vries, bijtend koude luchten,
Uw beet brengt minder zuchten
Dan een vergeten weldaad:
Hoewel u ’t ijs doet kraken,
Zal u niet zo steken en raken
Als een vergeten kameraad.
Zing hé, hé onder het groen:
Meestal is vriendschap fake, en liefde op rantsoen:
Dus hé, hé, ’t is groen!
Dit leven is de kampioen.

Seven poems of Robert Bridges

Robert Bridges / Gerald Finzi

I praise the tender flower

I praise the tender flower,
That on a mournful day
Bloomed in my garden bower
And made the winter gay.
Its loveliness contented
My heart tormented.
I praise the gentle maid
Whose happy voice and smile
To confidence betrayed
My doleful heart awhile;
And gave my spirit deploring
Fresh wings for soaring.
The maid for very fear
Of love I durst not tell:
The rose could never hear,
Though I bespake her well:
So in my song I bind them
For all to find them. 

Ik dank de bloem met tedere knop

Ik dank de bloem met tedere knop,
in mijn prieel bloeide ze op
op ene kwade onheilsdag
de winter tooiend met een lach.  
Zij heeft toen met haar lieflijkheid
mijn zo gekwelde hart bevrijd.
Ik dank de tedere vrouwe,
haar blijde stem en vrolijke lach
schonken op een gelukkige dag
mijn somber hart vertrouwen;
ze wekte mijn geest tot leven
en heeft mij vleugels gegeven.
Ik heb, door liefde overmand,
haar uit het oog verloren:
met de roos besprak ik onze band,
maar zij kon mij nooit horen:
ik breng ze daarom in mijn lied bijeen
om te vinden voor iedereen.

I have loved flowers that fade

I have loved flowers that fade, 
Within whose magic tents 
Rich hues have marriage made 
With sweet unmemoried scents: 
A honeymoon delight, –
A joy of love at sight, 
That ages in an hour: –
My song be like a flower!

I have loved airs that die
Before their charm is writ 
Along a liquid sky 
Trembling to welcome it.
Notes, that with pulse of fire
Proclaim the spirit’s desire, 
Then die, and are nowhere: –
My song be like an air!

Die, song, die like a breath,
And wither as a bloom:
Fear not a flowery death, 
Dread not an empty tomb! 
Fly with delight, fly hence!
‘Twas thine love’s tender sense 
To feast, now on thy bier 
Beauty shall shed a tear.

Ik hield van bloemen die verschieten

Ik hield van bloemen die verschieten,
en in wier magisch bloemenrijk
zoete geuren een huwelijk genieten
met kleurenrijkdom zonder gelijk:
een wittebroodsgenot,
gelukkig liefdeslot,
heeft slechts een uur bestaan:
mocht mijn lied als een bloem vergaan!

Ik hield van wijsjes die vervlogen,
vóór hun tover werd geschreven,
langs kristallijne hemelbogen
die een trillend welkom geven. 
Noten die vol vuur pulseren
en de geestdrift doen vibreren,
dan vervliegen, nergens zijn:  
ware mijn lied als een wijsje zo fijn!

Ga heen, lied, als een ademstoot,
en sterf als een bloesem af:
wees niet bang voor bloemendood,
vrees niet voor een ledig graf!
Vlieg vol vreugde, onbevreesd!
Uw liefde maakte menig feest.
Nu zal schoonheid op uw baar
een traan plengen, uw taak is klaar.   

My spirit sang all day

My spirit sang all day
O my joy.
Nothing my tongue could say,
Only my joy!

My heart an echo caught-
O my joy-
And spake, Tell me thy thought,
Hide not thy joy.

My eyes gan peer around,-
O my joy-
What beauty hast thou found?
Shew us thy joy.

My jealous ears grew whist;-
O my joy-
Music from heaven is’t,
Sent for our joy?

She also came and heard;
my joy
What, said she, is this word?
What is thy joy?

And I replied, O see,
my joy,
‘Tis thee, i cried, ’tis thee:
Thou art my joy.

Mijn hart zong de hele dag

Mijn hart zong de hele dag
o mijn geluk.
mijn tong maakte geen gewag,
alleen mijn geluk!

Mijn hart ving een echo op-
o mijn geluk-
en sprak, wat denk je, zeg op,
verberg niet je geluk.

Mijn ogen keken rond,-
o mijn geluk-
wat schoonheid die gij vond?
Toon ons je geluk.

Mijn oren floten van jalouzie;-
o mijn geluk-
hemelse melodie,
voor ons geluk gezonden?

Ook zij kwam, en kreeg in ’t vizier
mijn geluk,
ze zei, wat hoor ik hier?
Wat is jouw geluk?

En ik antwoordde, kijk naar mij,
mijn geluk,
jij bent het, riep ik, jij, ja jij: 
jij bent mijn geluk.

Elegy

Clear and gentle stream!
Known and loved so long
That hast heard the song,
And the idle dream
Of my boyish day;
While I once again
Down thy margin stray.
In the selfsame strain
Still my voice is spent
With my old lament
And my idle dream.
Clear and gentle stream!

Where my old seat was
Here again I sit.
Where the long boughs knit
Over stream and grass
A translucent eaves:
Where back eddies play
Shipwreck with the leaves,
And the proud swans stray,
Sailing one by one
Out of stream and sun,
And the fish lie cool
In their chosen pool.

Many an afternoon
Of the summer day
Dreaming here I lay;
And I know how soon,
Idly at its hour,
First the deep bell hums
From the minster tower,
And then evening comes,
Creeping up the glade,
With her lengthening shade,
And the tardy boon
Of her brightening moon.

Clear and gentle stream!
Ere again I go
Where thou dost not flow,
Well does it beseem
Thee to hear again
Once my youthful song,
That familiar strain
Silent now so long:
Be as I content
With my old lament
And my idle dream,
Clear and gentle stream.

Klaaglied

Helder kalme stroom,
immer bekend en bemind
gij hoorde het lied van het kind
en de ijdele droom
van mijn jongensdagen;
nu ik opnieuw kom klagen,
langs uw oever vlied.
In hetzelfde lied
vindt nog mijn stem de kracht
voor mijn oude klacht
en mijn ijdele droom,
helder kalme stroom!

Waar mijn oude plekje was
zit ik weer hoog en droog.
Waar de dichte takkenboog 
weeft boven stroom en gras
een doorschijnend bladerdak:
kolken op het watervlak
spelen schipbreuk met de blaren
en de trotse zwanen varen
zeilen een voor een op rij
de stroom en de zon voorbij
en de vissen liggen koel
In hun uitverkoren poel

Zo menig middaguur
van een zomerdag
dat ik dromend lag;
en waar op dit uur,
wie zal het hier horen,
eerst de zware klok galmt
van de kloostertoren,
en de avond talmt
besluipt de open plekken
met zijn lange schaduwbaan
en het weldadig trage wekken
van de heldere maan

helder kalme stroom,
voordat ik u verlaat 
naar waar gij niet gaat,
zing ik zonder schroom
voor u nog eenmaal
mijn zo jeugdig lied
dat vertrouwd verhaal
klonk zo lang al niet:
wees als ik tevreen
met mijn oud geween
en mijn ijdele droom,
helder kalme stroom.

Nightingales

BEAUTIFUL must be the mountains whence ye come,
And bright in the fruitful valleys the streams, wherefrom
Ye learn your song:
Where are those starry woods? O might I wander there,
Among the flowers, which in that heavenly air
Bloom the year long!

Nay, barren are those mountains and spent the streams:
Our song is the voice of desire, that haunts our dreams,
A throe of the heart.
Whose pining visions dim, forbidden hopes profound,
No dying cadence nor long sigh can sound,
For all our art.

Alone, aloud in the raptured ear of men
We pour our dark nocturnal secret: and then,
As night is withdrawn
From these sweet-springing meads and bursting boughs of May,
Dream, while the innumerable choir of day
Welcome the dawn. 

Nachtegalen

PRACHTIG moeten de bergen zijn, vanwaar 
u komt, en helder de beken in groene valleien, alwaar 
uw lied ontstond.
Waar zijn die schitterende wouden? O mocht ik dwalen,
tussen de bloemen, die in de hemelse dalen
bloeien het hele jaar rond!

Nee, kaal zijn die bergen en droog staan de stromen:
ons lied is het lied van verlangen, dat spookt in onze dromen,
een hartepijn,
omdat kwijnende dromen vervagen, verboden verlangens verdrinken,
geen stembuiging noch lange zucht kan klinken,
hoe kunstig wij ook zijn.

Alleen, hoorbaar voor verrukte mensenoren
laten we ons nachtelijk geheim horen;
en als de nacht verstomt
droom dan van zoete honingdrank en meibloesem bij toverslag,
terwijl het duizendkoppig koor van de nieuwe dag
de dageraad verwelkomt.

Song

Haste on, my joys! your treasure lies
In swift, unceasing flight.
O haste: for while your beauty flies
I seize your full delight. 

Lo! I have seen the scented flower,
Whose tender stems I cull,
For her brief date and meted hour
Appear more beautiful. 

O youth, O strength, O most divine
For that so short ye prove;
Were but your rare gifts longer mine,
Ye scarce would win my love. 

Nay, life itself the heart would spurn,
Did once the days restore
The days, that once enjoyed return,
Return, ah! nevermore.

Lied

Maak voort, mijn geluk! Jouw schat bestaat
in snelle, onafgebroken vlucht.
Maak haast: want waar uw schoonheid vergaat
pluk ik de volle vrucht. 

Kijk! Ik zag de geurende bloem,
wier tedere stengel ik pluk,
want haar korte duur en bemeten roem
verhogen mijn geluk. 

O godgegeven jeugd, o kracht,
gij blijft zo kort bestaan;
uw zeldzame gaven nog langer gebracht,
mijn liefde zou vergaan. 

Nee, het leven zelf gaf het hart terug,
als de dagen niet zouden verteren
De fijne dagen achter de rug
zullen nooit meer wederkeren.

Dejection

Wherefore to-night so full of care,
My soul, revolving hopeless strife,
Pointing at hindrance, and the bare
Painful escapes of fitful life? 

Shaping the doom that may befall
By precedent of terror past:
By love dishonoured, and the call
Of friendship slighted at the last? 

By treasured names, the little store
That memory out of wreck could save
Of loving hearts, that gone before
Call their old comrade to the grave? 

O soul, be patient: thou shalt find
A little matter mend all this;
Some strain of music to thy mind,
Some praise for skill not spent amiss. 

Again shall pleasure overflow
Thy cup with sweetness, thou shalt taste
Nothing but sweetness, and shalt grow
Half sad for sweetness run to waste. 

O happy life! I hear thee sing,
O rare delight of mortal stuff!
I praise my days for all they bring,
Yet are they only not enough.

Bedroefdheid

Waarom, mijn gemoed, zo onrustig vannacht,
verwikkeld in een hopeloze strijd,
gefocust op hinder en tegenkracht, 
en de pijnlijk ontlopen onbestendigheid? 

Het onheil scheppend dat me overkomt
voorspeld door schand uit het verleden:
versmade liefde, en de roep verstomd
van vriendschap met voeten getreden? 

Door dierbare namen, de enkelingen
die de herinnering van de ondergang prijsgaf,
geliefden die al eerder gingen
roepen hun oude kameraad naar ’t graf? 

Ach mijn gemoed, geduld: het zijn
de kleine dingen die dit alles helen;
een melodietje nog zo klein
een compliment dat men zal delen. 

Dan zal geluk weer overstromen
uw zoete lot, en u zult smaken
niets dan zoetheid, u zult schromen
voor zoetigheden die verloren raken. 

O heerlijk leven! Ik hoor u zingen,
o zeldzaam geluk van sterfelijkheid!
Ik prijs mijn dagen voor alle dingen,
al is er nooit voldoende tijd.

Reincarnations

James Stephens after Antoine O Reachtabhra / Samuel Barber

Voor de vertaling van de reincarnations van Barber is het handig om te weten dat de dichter Stephens gebruik maakt van oudere gedichten van de Ierse dichter Antoine O Reachtabhra (1784-1835), ook wel Raftery. Mary Hynes was de mooiste Ierse vrouw van zijn eeuw. Anthony O’Daly was de leider van een knokploeg van boeren die streden voor rechtvaardiger belastingen. Hij werd opgehangen voor een onbewezen moordaanslag, en werd een held omdat hij liever werd opgehangen dan zijn maten te verraden. Raftery, de dichter, was getuige van de ophanging. The Coolin tenslotte gaat over de ultieme gedroomde liefde.

I. Mary Hynes

She is the sky of the Sun,
she is the dart
of love,
she is the love of my heart,
she is a rune.
She is above
the women of the race of Eve,
as the sun is above the moon!

Lovely and airy the view from the hill
that looks down on Ballylea;
But no good sight is good, until
by great good luck you see
the blossom of branches walking towards you,
Airily.

Mary Hynes

Zij is gevuld met zon,
zij is de pijl
van Amor,
zij is de liefde van mijn leven,
zij is een rune.
Zij staat boven
de vrouwen van de stam van Eva,
zoals de zon staat boven de maan!

Lieflijk en fris is het uitzicht op de heuvel
die uitziet over Ballylee!
Maar een mooi uitzicht is niets totdat je,
tot je grote geluk,
de lentebloesem in eigen persoon ziet naderen,
Hemels.

II. Anthony O’Daly

Since your limbs were laid out
the stars do not shine,
the fish leap not out
in the waves.
On our meadows the dew
does not fall in the morn,
for O’Daly is dead:
not a flower can be born,
not a word can be said,
not a tree have a leaf;
on our meadows the dew
does not fall in the morn,
for O’Daly is dead.

Anthony, after you
there is nothing to do,
there is nothing but grief.

Anthony O’Daly

Sinds jouw resten werden opgebaard
schijnen de sterren niet meer
de vissen springen niet meer op
uit de golven.
Op onze weiden valt
in de morgen geen dauw,
want O’Daly is dood:
geen bloem kan ontluiken,
geen woord kan gezegd,
geen boom krijgt nog blad;
op onze weiden valt
geen dauw in de morgen,
want O’Daly is dood.

Anthony, na jou
valt er niets meer te doen,
is er niets dan verdriet.

III. The Coolin

Come with me, under my coat,
and we will drink our fill
of the milk of the white goat,
or wine if it be thy will.
And we will talk,until
talk is a trouble, too,
out on the side of the hill;
And nothing is left to do,
but an eye to look into an eye;
and a hand in a hand to slip;
and a sigh to answer a sigh,
and a lip to find out a lip!
What if the night be black!
And the air on the mountain chill!
Where the goat lies down in her track,
and all but the fern is still!
Stay with me, under my coat!
And we will drink our fill
of the milk of the white goat,
out on the side of the hill!

Blonde schoonheid

Kom bij me, onder mijn jas,
en wij zullen wij naar hartelust
drinken van de melk van de witte geit,
of wijn als jij dat liever wilt.
En op de flank van de heuvel
zullen we praten,
totdat ook praten moeite kost;
En er is niets meer te doen,
dan elkaar in de ogen kijken,
en een hand die in een hand glijdt;
een zucht die een zucht ontlokt,
en een lip die een lip vindt!
Wat als de nacht zwart is!
En de lucht op de berg is kil!
Waar de geit neerligt op haar pad,
en behalve de varens alles stil is!
Blijf bij mij, onder mijn jas!
En wij zullen naar hartelust
drinken van de melk van de witte geit,
op de flank van de heuvel.

Quick! We have but …

Thomas Moore / Charles Villiers Stanford

Quick! We have but …

Quick! We have but a second,
Fill round the cup while you may
For time, the churl, hath beckoned
And we must away, away! 
Grasp the pleasure that’s flying
For oh! not Orpheus’ strain
Could keep sweet hours from dying
Or charm them to life again. 
Then, quick! We have but a second,
Fill round the cup while you may
For time, the churl, hath beckoned
And we must away, away!

See the glass, how it flushes
Like some young hebe’s lip
And half meets thine, and blushes
That thou shouldst delay to sip.
Shame, oh, shame unto thee
If e’er thou seest that day
When a cup or a lip shall woo thee
And turn untouched away.
Then quick! We have but a second,
Fill round the cup while you may
For time, the churl, hath beckoned
And we must away, away!

Snel, we hebben maar even

Snel, we hebben maar even,
vul de glazen nu het nog kan
want tijd, de lomperik, lonkt al
en we moeten nu echt weg!
Grijp het plezier, het vliegt voorbij
want oh, zelfs de melodie van Orpheus 
kan zoete uren niet doen stilstaan
of ze weer tot leven wekken
Snel dan, we hebben maar even,
vul de glazen nu het nog kan
want tijd, de lomperik, lonkt al
en we moeten nu echt weg!

Zie het glas kleuren
als de lippen van de jonge Hebe
en half de jouwe raken, en blozen
dat je nog even moet wachten op je slok
schaam je, oh je moet je schamen
als je ooit de dag beleeft
dat een glas of een lip je het hof maakt
en jij wegdraait zonder haar aan te raken
Snel dan, we hebben maar even,
vul de glazen nu het nog kan
want tijd, de lomperik, lonkt al
en we moeten nu echt weg!   

Quick, quick, away

Anonymous - Renaissance / Michael East

Quick, quick, away

Quick, quick, away, dispatch!
Be nimble, nimble, quick, away!
Bells are now a-ringing,
Maids are singing!
The priest for you doth stay.
An holiday, a happy day, a merry day!
The last of nothing,
First of something.
Be nimble, quick, away!
Quick, quick, away, away!

No haste but good,
Yet stay, a while 
Of free: I bound must be.
But bound to she 
that’s bound to me;
Such bondage makes me free.
With joy I come, I come away,
I come, I come away.

Vlug, vlug, ga nu

Vlug, vlug, ga nu, scheer je weg!
Wees vlug, ga nu snel!
De klokken luiden al,
de meisjes zingen!
De priester staat op je te wachten.
Een feestdag, een gelukkige dag, een blijde dag!
De laatste van niets,
de eerste van iets.
Wees vlug, ga gauw!
Vlug ,vlug, weg, weg!
 
Ik heb geen haast
mijn vrijheid te verliezen:
ik zal gebonden zijn.
Maar verbonden met haar
is verbonden met mezelf;
Zo’n band maakt me vrij.
Vol vreugde kom ik eraan,
ik kom, ik ga graag mee.

O wild west wind

Percy Bysshe Shelley / Edward Elgar

O wild west wind

Make me thy lyre, even as the forest is:
What if my leaves are falling like its own!
The tumult of thy mighty harmonies

Will take from both a deep, autumnal tone,
Sweet though in sadness. Be thou, Spirit fierce,
My spirit! Be thou me, impetuous one!

Drive my dead thoughts over the universe
Like withered leaves to quicken a new birth!
And, by the incantation of this verse,

Scatter, as from an unextinguished hearth
Ashes and sparks, my words among mankind!
Be through my lips to unawakened earth

The trumpet of a prophecy! O, Wind,
If Winter comes, can Spring be far behind?

O wilde westenwind

Maak mij tot uw lier, zoals u het bos bespeelt:
wat als mijn blaren vallen net als uit zijn kronen?
Het harmonieus gebulder van uw klankbeeld  

veroorzaakt in beiden diepe herfsttonen,
zoet maar droef. Weest u, felle geest,
mijn inspiratie! Laat mij in onstuimigheid wonen!

Verspreid mijn dode gedachten in het heelal
als dorre bladeren, een wedergeboorte waard!
En, door de bezwering van dit lied vooral,  

verstrooi als as en vonken van een ongedoofde haard,
mijn woorden onder de mensheid!
Wees door mijn lippen voor de ongewekte aard’ 

de trompet van een profetie! O, wind,
als de winter komt, wordt niet de lente reeds bemind?

Nolo Mortem Peccatoris

John Redford / Thomas Morley

Nolo Mortem Peccatoris

Nolo mortem peccatoris;
Haec sunt verba Salvatoris.

Father I am thine only Son,
sent down from heav’n mankind to save.
Father, all things fulfilled and done
according to thy will, I have.
Father, my will now all is this:
Nolo mortem peccatoris.

Father, behold my painful smart,
taken for man on ev’ry side;
Ev’n from my birth to death most tart,
no kind of pain I have denied,
but suffered all, and all for this:
Nolo mortem peccatoris.

Ik wil niet dat een zondaar sterft

Ik wil niet dat een zondaar sterft;
dit zijn de woorden van de Verlosser.

Vader, ik ben uw enige zoon,
uit de hemel gezonden tot heil van de mensen
Vader, mijn leven is een eerbetoon,
alles heb ik vervuld en gedaan naar uw wensen.
Vader, wat ik graag wil is:
Nolo mortem peccatoris.

Vader, zie mijn pijnlijke lijden,
op me genomen voor menigeen;
Van mijn geboorte tot mijn wrange verscheiden,
nam ik alle pijn voor iedereen,
de reden voor dit alles is:
Nolo mortem peccatoris.

My love dwelt

Andrew Lang / Edward Elgar

My love dwelt

My love dwelt in a northern land
A dim tower in a forest green 
Was his, and far away the sand,
And gray wash of the waves were seen,
The woven forest boughs between.

And through the northern summer night 
The sunset slowly died away,
And herds of strange deer, silver white,
Came gleaming through the forest gray,
And fled like ghosts before the day.

And oft, that month, we watch’d the moon
Wax great and white o’er wood and lawn, 
And wane, with waning of the June,
Till, like a brand for battle drawn,
She fell, and flamed in a wild dawn.

I know not if the forest green
Still girdles round that castle gray,
I know not if, the boughs between
The white deer vanish ere the day.
The grass above my love is green,
His heart is colder than the clay.

Mijn lief woonde

Mijn lief woonde in een noordelijke streek,
hij had een duistere toren in het woud,
en heel ver weg als je goed keek, 
zag je de grijze golven en het strand van goud
tussen het weefsel van het kreupelhout. 

En in de korte zomernacht,
als zonlicht langzaamaan verdween,
de vreemde herten in een zilveren pracht,
schitterend door de grijze bossen heen,
om weer te vluchten als de dag verscheen.

En in die maand zagen we vaak de maan
groot en wit wassen boven bos en wei,
en weer afnemen toen juni moest gaan,
totdat ze neerviel, als na een steekpartij,
en een nieuwe dag ontstak in razernij.

Ik weet niet of het groene woud
nog steeds dat grijze slot omringt als toen,
ik weet niet of tussen het kreupelhout
de witte herten nog vluchten en waarheen.
Het gras boven mijn lief is groen,
zijn hart is kouder nog dan steen.

My bonny lass

Thomas Morley

My bonny lass

My bonny lass she smileth,
When she my heart beguileth,
Fa la la…

Smile less, dear love, therefore,
And you shall love me more.
Fa la la…

When she her sweet eye turneth,
Oh, how my heart it burneth!
Fa la la…

Dear love, call in their light,
Or else you burn me quite!
Fa la la…

Mijn mooie meisje

Mijn mooie meisje lachte,
toen ik zo naar haar smachtte,
Fa la la…

Lief, hou je lach maar binnen,
en wil mij meer beminnen.
Fa la la…

Toen zij haar blik opsloeg,
mijn hart het vuur injoeg!
Fa la la…

Mijn lief, als jij je blik afkeert,
word ik niet door dit vuur verteerd!
Fa la la…

I love my love

Cornish folksong / Gustav Holst

I love my love

Abroad as I was walking, one evening in the spring,
I heard a maid in Bedlam so sweetly for to sing;
Her chains she rattled with her hands, And thus replied she:
“I love my love because I know my love loves me!

O cruel were his parents who sent my love to sea,
And cruel was the ship that bore my love from me;
I love his parents since they’re his although they’ve ruined me:
I love my love because I know my love loves me!

With straw I’ll weave a garland, I’ll weave it very fine;
With roses, lilies, daisies, I’ll mix the eglantine;
And I’ll present it to my love When he returns from sea.
For I love my love, because I know my love loves me.”

Just as she sat there weeping, Her love he came on land.
Then hearing she was in Bedlam, He ran straight out of hand.
He flew into her snow-white arms, And thus replied he:
“I love my love, because I know my love loves me.”

She said: “My love don’t frighten me; Are you my love or no?”
“O yes, my dearest Nancy, I am your love, also
I am return’d to Make amends for all your injury;
I love my love because I know my love loves me.”

So now these two are married, And happy may they be
like turtle doves togheter, in love and unity.
All pretty maids with patience wait That have got loves at sea;
I love my love because I know my love loves me.

‘k Hou van mijn lief

Ik liep een keer te wand’len, ’t was lente en nog licht,
en hoorde een meisje zingen, het kwam uit ’t gesticht;
ze rammelde haar kettingen, terwijl haar liedje zei:
“‘k hou van mijn lief, omdat ik weet: mijn lief houdt ook van mij!

Hoe wreed waren zijn ouders, ze stuurden hem naar zee,
en wreed was ook het nare schip, dat nam hem van mij mee;
Toch houd ik van ze, juist om hem, al ben ik nu onvrij:
‘k hou van mijn lief, omdat ik weet: mijn lief houdt ook van mij!

Van stro maak ik een krans voor hem, ik maak hem extra fijn,
met rozen, lelies, madelief, en geurig rozemarijn;
En die geef ik dan aan mijn lief, als hij weer komt bij mij.
want ‘k hou van mijn lief, omdat ik weet: mijn lief houdt ook van mij!”

Terwijl zij daar zo huilen moest, kwam lief weer terug aan wal.
Hij hoorde over het gesticht, en haast zich door het dal.
Hij vloog in haar sneeuwwitte armen, en weet je wat hij zei:
‘k hou van mijn lief, omdat ik weet: mijn lief houdt ook van mij!”

Ze zei: “mijn lief, je maakt me gek; ben je mijn lief of niet?”
“Ja, liefste Nancy, ‘k ben je lief, zoals je nu wel ziet
Ik kwam speciaal terug voor jou, zet je verdriet opzij;
‘k hou van mijn lief, omdat ik weet: mijn lief houdt ook van mij!”

Dus nu zijn ze getrouwd en wel, als kinderen zo blij,
twee tortelduifjes samen, in de echt verbonden vrij.
Dus meisjes met een lief op zee, wacht rustig in geschrei;
‘k hou van mijn lief, omdat ik weet: mijn lief houdt ook van mij!