Nos esprits libres et contents

Antoine Boësset

Nos esprits libres et contents
Vivent en ces doux passe-temps.
Et par de si chastes plaisirs,
Bannissent tous autres desirs.

La danse, la chasse et les bois,
Nous rendent exempts des lois
Et des misères dont l’Amour
Afflige les cœurs de la Cour.

Et c’est plustôt avec cet art
Qu’avec la pointe de ce dard
Que cette troupe se défend
Des traits de ce cruel Enfant.

Car en changeant toujours de lieu
Nous empêchons si bien ce Dieu,
Qu’il ne peut s’assurer des coups
Qu’il pense tirer contre nous.

Ainsi nous défendant de lui
Et passant nos iours sans ennemi,
Nous essayons de lui ravir
La gloire de nous asservir.

Il est bien vrai qu’en nous sauvant,
Il nous va toujours poursuivant,
Et nous poursuit en tant de lieux,
Qu’en fin il entre dans nos yeux.

Mais encor’ qu’on puisse penser
Qu’alors il nous doive offenser,
Pourtant nous n’avons point de peur
Qu’il nous puisse enflamer le cœur.

Car la neige de notre sein
Empêche si bien son dessein,
Qu’alors qu’il nous pense enflammer
Son feu ne se peut allumer.

Nos esprits libres et contents
Vivent en ces doux passe-temps.
Et par de si chastes plaisirs,
Bannissent tous autres desirs.

Wij zijn vrije en vrolijke geesten,
kalm tijdverdrijf is onze queeste.
En in kuisheid met veel plezier,
hebben we geen and’re wensen hier.

Dansen, jagen, een zonnig bos,
maken ons zeker van Amor los,
van zijn wetten en de rampspoed,
die de harten aan het hof verdriet doet.

Eerder met deze kunst van de heren
dan met de punt van deze speren
vecht dit gezelschap eensgezind
tegen de pijlen van dit wrede kind.

Want door voortdurend te bewegen
werken we deze God zó goed tegen,
dat hij ons geheel niet verwondt
met de pijlen die hij naar ons zond.

Door hem zo om de tuin te leiden
en ondertussen de vijand te vermijden,
zo proberen wij hem te beroven
van de eer om ons een kool te stoven.

Hij wil ons wel behouden ja,
hij zit ons daarom steeds achterna,
en zit zó overal achter ons aan,
dat we uiteindelijk oog in oog staan.

Maar hoewel men wel zou denken
dat hij ons dan toch zou krenken,
Toch zijn wij voor de duvel niet bang
hij zet ons hart niet in vuur en vlam.

Want de sneeuwlaag op onze hoed
verhindert zijn bedoeling zo goed
dat wanneer hij ons toch wil verzengen
zijn vuur ons hoofd niet op hol kan brengen.

Wij zijn vrije en vrolijke geesten,
kalm tijdverdrijf is onze queeste.
En in kuisheid met veel plezier,
hebben we geen and’re wensen hier.

Bonjour, mon coeur

Pierre de Ronsard / Orlando di Lasso

Bonjour mon coeur,
bonjour ma douce vie.
Bonjour mon oeil,
bonjour ma chère amie,
Hé ! bonjour ma toute belle,
Ma mignardise, bonjour,
Mes délices, mon amour,
Mon doux printemps,
ma douce fleur nouvelle,
Mon doux plaisir,
ma douce colombelle,
Mon passereau,
ma gente tourterelle,
Bonjour, ma douce rebelle.

Hé ! faudra-t-il que quelqu’un me reproche
Que j’aie vers toi le coeur plus dur que roche
De t’avoir laissée, maîtresse,
Pour aller suivre le Roi,
Mendiant je ne sais quoi
Que le vulgaire appelle une largesse?
Plutôt périsse honneur, court, et richesse,
Que pour les biens jamais je te relaisse,
Ma douce et belle déesse.

Goedemorgen, mijn liefje,
goedemorgen mijn zoete leven
Goedemorgen, mijn oogappeltje,
goedemorgen, mijn lieve vriendin,
Ha, gegroet, mijn allermooiste,
mijn bevallige, goedemorgen,
Mijn heerlijkheid, mijn liefde,
Mijn fijne lente,
mijn frisse, nieuwe bloem
Mijn lieve vreugde,
mijn zoete duifje
Mijn vogeltje,
mijn zachte tortelduifje
Goedemorgen, mijn lieve ondeugd.

O, mag iemand me verwijten
dat mijn hart voor jou harder is dan steen
omdat ik je verlaten heb, mijn prachtvrouw,
om de koning te volgen,
een bedelaar om iets
dat het volk vrijgevigheid noemt?
Liever zou ik mijn eer, huis en rijkdom verliezen
dan dat ik jou omwille van welstand zou verlaten,
mijn lieve, schone godin.

Calme des nuits

Victor Hugo / Camille Saint-Saëns

Calme des nuits, fraicheurs des soirs,
Vaste scintillement des mondes,
Grand silence des antres noirs
Vous charmez les âmes profondes.

L’eclat du soleil, la gaité,
Le bruit plaisent aux plus futiles;
Le poète seul est hanté
Par l’amour des choses tranquilles.

Nacht’lijke rust, dag in koelte verklonken,
Flonkeringen van het wijdse heelal,
Peilloze stilte van zwarte spelonken
Gij bekoort de diepzinnigen vooral.

Het vuur van de zon, de losbandigheid
En het lawaai zijn voor de geringen;
In eenzaamheid wordt de dichter geleid
Door zijn liefde voor de stille dingen.

Les fleurs et les arbres

Victor Hugo / Camille Saint-Saëns

Les fleurs et les arbres,
les bronzes, les marbres,
les ors, les emaux,
la mer, les fontaines,
les monts et les plaines
consolent nos maux.

Nature eternelle
tu sembles plus belle
au sein des douleurs!
Et l’art nous domine,
sa flamme illumine
le rire et les pleurs.

De bloemen, de bomen,
de zee en de stromen,
veelkleurige gloed,
de bergen en dalen,
de bronzen, opalen
troosten ons gemoed.

Natuur zonder weerga
gij zijt ons nog meer na
als we bedroefd zijn!
Maar kunst onderricht ons,
haar liefde verlicht ons,
bij vreugd en bij pijn.

Yver, vous n’estes qu’un vilain;

Charles d'Orléans / Claude Debussy

Yver, vous n’estes qu’un vilain;
Esté est plaisant et gentil
En témoing de may et d’avril
Qui l’accompaignent soir et main.

Esté revet champs, bois et fleurs
De sa livrée de verdure
Et de maintes autres couleurs
Par l’ordonnance de nature.

Mais vous, Yver, trop estes plein
De nège, vent, pluye et grézil.
On vous deust banir en éxil.
Sans point flater je parle plein,
Yver, vous n’estes qu’un vilain.

Winter, je bent een slechterik!
De zomer is lief, aardig en stil
kijk maar naar mei en april,
met ’s ochtends en ’s avonds een frisse blik.

De zomer spreidt op ieder uur
over velden, bossen en bloemen zijn geuren,
zijn groen en alle andere kleuren,
volgens het recept van moeder natuur.

Maar jij, winter, je brengt vooral schrik
met al je sneeuw, wind, hagel en regen.
men zou verbanning moeten overwegen.
Onomwonden en volmondig verklaar ik:
Winter, je bent een slechterik!

Quant j’ai ouy le tabourin

Charles d'Orléans / Claude Debussy

Quant j’ai ouy la tabourin
Sonner, pour s’en aller au may,

En mon lit n’en ay fait affray
Ne levé mon chief du coissin;
En disant: il est trop matin
Ung peu je me rendormiray:

Quant j’ ay ouy le tabourin
Sonner pour s’en aller au may,

Jeunes gens partent leur butin;
De nonchaloir m’accointeray
A lui je m’abutineray
Trouvé l’ay plus prouchain voisin;

Quant j’ay ouy le tabourin
Sonner pour s’en aller au may
En mon lit n’en ay fait affray
Ne levé mon chief du coissin.

De roep van de tamboerijn
wekte me, want het was mei,

maar ik lag in bed en sliep zo blij
ik wilde nog niet wakker zijn;
en zei: “het is te vroeg, dit doet me pijn,
ik slaap liever nog eventjes bij:”

De roep van de tamboerijn
wekte me, want het was mei,

Jongelui verdeelden de buit op het plein;
het was niet van belang voor mij
ik had mijn liefje al nabij
ik had mijn eigen valentijn;

De roep van de tamboerijn
wekte me, want het was mei,
maar ik lag in bed en sliep zo blij
ik wilde nog niet wakker zijn.

Dieu, qu’il la fait bon regarder

Charles d'Orléans / Claude Debussy

Dieu, qu’il la fait bon regarder,
La grâcieuse bonne et belle!
Pour les grans biens qui sont en elle,
Chascun est prest de la louer.

Qui se pourroit d’elle lasser?
Toujours sa beaulté renouvelle.
Dieu, qu’il la fait bon regarder,
La grâcieuse bonne et belle.

Par deça, ne delà, la mer
Ne sçay dame ne demoiselle
Qui soit en tous biens parfais telle;
C’est un songe que d’y penser,
Dieu, qu’il la fait bon regarder.

God, wat een feest om haar te zien,
die gracieuze, mooie, prachtige vrouw!
Die eenieder graag bezingen zou,
en haar schoonheid verheerlijken bovendien.

Wie zou moe kunnen worden van het weerzien?
Haar schoonheid is altijd natuurgetrouw.
God wat een feest om haar te zien,
die gracieuze, mooie, prachtige vrouw!

Aan deze kust, noch zo ver als men kan zien
heeft men ooit een dame of een jonge vrouw
in elk opzicht zo volmaakt gezien.
Een droombeeld, maar waarheidsgetrouw:
God, wat een feest om haar te zien!

Vers les monts j’ai levé mes yeux

Psalm 121, J.P. Sweelinck

Vers les monts j’ay levé mes yeux,
Cuidant avoir d’enhaut
Le secours qu’il me faut.

Mais en Dieu qui a faict les cieux,
Et ceste terre ronde,
Maintenant je me fonde.

Naar de bergen hief ik mijn ogen,
op zoek naar de hulp
die ik nodig heb van boven.

Wel mijn hulp komt van de Heer,
die hemel en aarde gemaakt heeft,
bij Hem vind ik steun.

Verger

Rainer Maria Rilke / Paul Hindemith

Jamais la terre n’est plus réelle 
que dans tes branches, ô verger blond, 
ni plus flottante que dans la dentelle 
que font tes ombres sur le gazon. 

Là se rencontre ce qui nous reste, 
ce qui pèse et ce qui nourrit 
avec le passage manifeste 
de la tendresse infinie. 

Mais à ton centre, la calme fontaine, 
presque dormant en son ancien rond, 
de ce contraste parle à peine, 
tant en elle il se confond.

Nooit was de bodem vaster land   
dan in de takken van jouw boom
noch frivoler dan het kant
van je schaduw in de graszoom 
 
Daar vinden we terug wat overblijft,
wat ons zwaar valt, wat ons voedt,
oneindig teder ingelijfd
in onze herinnering zoet. 
 
En de fontein die in jouw midden fluistert,
slaperig in zijn oude bassin,  
naar deze contrasten slechts luistert,
en samenvalt met het schaduwdessin.

En hiver

Rainer Maria Rilke / Paul Hindemith

En hiver, la mort meurtrière
entre dans les maisons; 
elle cherche la sœur, le père, 
et leur joue du violon. 

Mais quand la terre remue 
sous la bêche du printemps, 
la mort court dans les rues 
et salue les passants.

In de winter komt de moordende dood nader 
de huizen worden door zijn komst verrast;
hij zoekt de dochter en de vader,
voor wie hij zijn viool bekrast.
 
Maar als de aarde tot leven komt
onder de spade van het voorjaar,
rent de dood door de straten, vermomd  
en groet iedere voorbijganger zowaar.