Darthulas Grabesgesang

Johannes Brahms / James Macpherson / J.G. Herder

In zijn bundel, gepubliceerd in 1765, publiceerde James Macpherson verhalende gedichten en fragmenten van gedichten die gebaseerd zijn op geschreven documenten verzameld in de Schotse Hooglanden en teksten die bewaard zijn gebleven door mondelinge overlevering. Macpherson markeerde deze teksten als het werk van Ossian, zeggende dat hij ze alleen had vertaald en gereconstrueerd uit het Gaelic, maar de authenticiteit hiervan werd al in twijfel getrokken door zijn tijdgenoten.
Johann Gottfried Herder publiceerde zijn bewerkingen in 1773, en het was in zijn versie dat Brahms het gedicht tegenkwam dat op gevoelige wijze de begrafenis van het mooie meisje Darthula beschrijft. Volgens het verhaal is de tirannieke koning Cairbar verliefd op Darthula, maar die laatste houdt niet van hem, maar van prins Nathos, die samen met zijn twee broers tegen de tirannieke koning vecht. De superieure troepen van de koning verslaan het leger van de drie broers en doden ook de jongens. Darthula pleegt zelfmoord na het horen hiervan.
In de vertaling zijn de namen uit de bron van Mcpherson aangehouden, Kola (Colla): Darthula’s vader; Selma (Selama): Darthula’s familiekasteel, omgeven door water; Thrutil (Truthil): stamvader; Erin: Ierland.

Darthulas Grabesgesang
 
Mädchen von Kola, du schläfst!
Um dich schweigen die blauen Ströme Selmas!
Sie trauern um dich,
den letzten Zweig von Thrutils Stamm.
 
Wann erstehst du wieder in deiner Schöne?
Schönste der Schönen in Erin!
Du schläfst im Grabe langen Schlaf,
dein Morgenrot ist ferne!
 
O nimmer kommt dir die Sonne
weckend an deine Ruhestätte:
Wach auf, Darthula!
Frühling ist draußen,
die Lüfte säuseln!
 
Auf grünen Hügeln,
holdseliges Mädchen,
weben die Blumen!
Im Hain wallt sprießendes Laub!
 
Auf immer, so weiche denn, Sonne,
dem Mädchen von Kola, sie schläft!
Nie ersteht sie wieder in ihrer Schöne!
Nie wieder in ihrer Schöne,
nie siehst du sie lieblich wandeln mehr.

Darthula’s grafzang
 
Dochter van Colla, je slaapt!
De blauwe wateren rondom Selama zwijgen!
Ze rouwen om jou,
de laatste twijg van Truthils stam.
 
Wanneer verrijs je weer in jouw schoonheid?
Schoonste der schonen in Ierland!
Je slaapt een lange slaap in het graf,
je dageraad is ver weg!
 
O nooit zal het zonlicht jou
komen wekken in je rustplaats:
sta op, Darthula!
Het is lente buiten,
de luchten fluisteren!
 
Op de groene heuvels
beminnelijk meisje,
wuiven de bloemen!
In het groen golft ontkiemend loof!
 
Voor altijd, dus ga nu maar, zonlicht,
het meisje van Colla, ze slaapt!
Nooit zal ze meer verrijzen in haar schoonheid!
Nooit meer in haar schoonheid,
nooit meer zul je haar lieflijk zien wandelen.

Vineta

Johannes Brahms / Wilhelm Müller

Aus des Meeres tiefem, tiefem Grunde
klingen Abendglocken dumpf und matt,
uns zu geben wunderbare Kunde
von der schönen, alten Wunderstadt.

In der Fluten Schoss hinab gesunken,
blieben unten ihre Trümmer stehn;
ihre Zinnen lassen goldne Funken
wiederscheinend auf dem Spiegel sehn.

Und der Schiffer, der den Zauberschimmer
einmal sah im hellen Abendrot,
nach derselben Stelle schifft er immer,
ob auch rings umher die Klippe droht.

Aus des Herzens tiefem, tiefem Grunde
klingt es mir wie Glocken, dumpf und matt.
Ach, sie geben wunderbare Kunde
von der Liebe die geliebt es hat.

Eine schöne Welt ist da versunken,
ihre Trümmer blieben unten stehn,
lassen sich als goldne Himmelsfunken
oft im Spiegel meiner Träume sehn.

Und dann möcht’ ich tauchen in die Tiefen,
mich versenken in den Wunderschein,
und mir ist, als ob mich Engel riefen
in die alte Wunderstadt herein.

Uit de diepste diepten van de zee
klinken avondklokken dof en mat,
ze geven ons een wonderlijke tijding mee
van een mooie, oude wonderstad.

In de schoot der baren weggezonken,
bleven diep benee haar resten staan;
haar kantelen laten gouden vonken
schitterend over de waterspiegel gaan.

En de schipper, die de toverglans
een keer zag in het felle avondrood,
vaart telkens weer naar deze lichtkrans,
al is de dreiging van de klippen groot.

Uit de diepste diepten van mijn hart
klinken voor mij de klokken, dof en mat.
Ach, ze geven wonderlijke tijding mee
van de liefste die ik heb liefgehad.

Een mooie wereld ligt daar diep verzonken,
haar resten bleven daar beneden staan,
vaak breken die gouden hemelvonken
in de spiegel van mijn dromen baan.

En dan zou ik willen duiken in het diepe,
daar verzinken in het wonderlicht,
en het is alsof mij engelen riepen
naar de wonderstad die in de diepte ligt.

Abendständchen / Serenade

Johannes Brahms / Clemens Brentano

Hör, es klagt die Flöte wieder,
und die kühlen Brunnen rauschen,
golden wehn die Töne nieder,
stille, lass uns lauschen!

Holdes Bitten, mild Verlangen,
wie es süss zum Herzen spricht!
Durch die Nacht die mich umfangen,
blickt zu mir der Töne Licht.

Hoor de fluit weer zachtjes treuren
en de koele bronnen ruisen,
klank dwarrelt neer in gouden kleuren,
stil eens, laat ons luisteren!

Lieflijk vragen, mild verlangen,
zo zoet op ons hart gericht!
Door de nacht die mij omarmt,
Straalt op mij een lied van licht.