Quant j’ai ouy le tabourin

Charles d'Orléans / Claude Debussy

Quant j’ai ouy la tabourin
Sonner, pour s’en aller au may,

En mon lit n’en ay fait affray
Ne levé mon chief du coissin;
En disant: il est trop matin
Ung peu je me rendormiray:

Quant j’ ay ouy le tabourin
Sonner pour s’en aller au may,

Jeunes gens partent leur butin;
De nonchaloir m’accointeray
A lui je m’abutineray
Trouvé l’ay plus prouchain voisin;

Quant j’ay ouy le tabourin
Sonner pour s’en aller au may
En mon lit n’en ay fait affray
Ne levé mon chief du coissin.

De roep van de tamboerijn
wekte me, want het was mei,

maar ik lag in bed en sliep zo blij
ik wilde nog niet wakker zijn;
en zei: “het is te vroeg, dit doet me pijn,
ik slaap liever nog eventjes bij:”

De roep van de tamboerijn
wekte me, want het was mei,

Jongelui verdeelden de buit op het plein;
het was niet van belang voor mij
ik had mijn liefje al nabij
ik had mijn eigen valentijn;

De roep van de tamboerijn
wekte me, want het was mei,
maar ik lag in bed en sliep zo blij
ik wilde nog niet wakker zijn.