Der Abendhimmel

Joseph Christian von Zedlitz / Anton Bruckner

Der Abendhimmel

Wenn ich an deiner Seite
im Abenddunkel geh,
den Mond und sein Geleite,
die tausend Sterne seh,
dann möcht ich dem Mond umfangen
und drücken an meine Brust,
die Sterne herunter langen
in voller, sel’ger Lust!
Mit ihnen die Locken dir schmücken
und schmücken die schöne Brust,
ich möcht dich schmücken und drücken
und sterben vor Wonn und Lust!

De avondhemel

Als ik aan jouw zijde
‘s avonds in het donker loop,
de maan zie en zijn geleide
duizenden sterren van hoop,
dan zou ik de maan willen omhelzen
en drukken aan mijn borst,
de sterren plukken uit de lucht
in volle zalige dorst!
Daarmee jouw lokken opsmukken
en versieren jouw boezem uit wellust,
Ik zou je versieren en knuffelen
en sterven van verrukking en lust!

Frühlingslied

Heinrich Heine / Anton Bruckner

Frühlingslied

Leise zieht durch mein Gemüt
liebliches Geläute.
Klinge, kleines Frühlingslied,
kling hinaus ins Weite.

Kling hinaus bis an das Haus,
wo die Blumen sprießen.
Wenn du eine Rose schaust,
sag, ich lass sie grüßen.

Voorjaarslied

Zachtjes zweeft door mijn gemoed
een sprank’lend voorjaarslied,
kleine klokjes, klingel zoet.
wijd en zijd in het gebied.

Klingel ver tot aan het huis,
waar bloemen u ontmoeten.
Als je daar een roosje ziet,
breng haar dan mijn groeten.

Im April

Emanuel Geibel / Anton Bruckner

Im April

Du feuchter Frühlingsabend,
Wie hab’ ich dich so gern–
Der Himmel wolkenbehangen,
Nur hie un da ein Stern.

Wie leiser Liebesodem
Hauchet so lau die Luft,
Es steigt aus allen Thalen
Ein warmer Veilchenduft.

Ich möcht’ ein Lied ersinnen,
Das diesem Abend gleich;
Und kann den Klang nicht finden
So dunkel, mild und weich.

In april

Jij vochtige lenteavond
jij werpt me haast omver–
de hemel vol met wolken
slechts hier en daar een ster.

De lucht fluistert zo koel
in zoete liefdeskleuren,
uit alle dalen stijgen zwoel
warme viooltjesgeuren.

‘K zou graag een lied bedenken,
met precies dezelfde pracht;
en kan de klank niet vinden
zo donker, mild en zacht.

Trösterin Musik

Heinrich von der Mattig / Anton Bruckner

Trösterin Musik

Musik! du himmlisches Gebilde,
voll hoher Macht, voll süßer Milde,
wir fühlen doppelt tief dein Walten,
wenn uns ein Leid das Herz gespalten.
Der Schmerzenswogen wirres Drängen,
Es glättet sich vor deinen Klängen,
besänftigt all die Fluten ziehen
ins weite Meer der Harmonien.
Wie Orgelton, wie Meereswogen
kommt dann der Trost ins Herz gezogen
und stillt der Seele wildes Sehnen
und lost das Weh in milde Tränen.

Musik! du himmlisches Gebilde,
voll hoher Macht, voll süßer Milde,
du pochst noch in den tiefsten Schmerzen 
mit leisem Finger an die Herzen.
Und wenn die Seele gramgebrochen,
kein Wort mehr hört, das Trost gesprochen,
wenn längst verstummt die stillen Klagen
im Leid, das tränenlos getragen:
Dann fühlt das Herz in Orgeltönen
Ein hehres himmlisches Versöhnen
und findet in dem Klang der Lieder
den letzten Trost, die Tränen wieder.

Muziek die troost brengt

Muziek! Jij hemelse schepping,
vol grote kracht, vol zachtzoete trilling,
wij voelen jouw werking twee keer zo hard,
wanneer ons hart gespleten is door smart.
Als men warrige golven van verdriet had,
maken jouw klanken alles weer glad,
ze brengen alle golven tot bedaren
met harmonieën als de weidse baren.
Als orgelgeluid, als golven van de zee
komt dan de troost in ons hartewee
en stilt in de ziel de wilde orkanen
en lost verdriet op in zachte tranen.

Muziek! Jij hemelse schepping,
vol grote kracht, vol zachtzoete trilling,
jij klopt nog bij de diepste smart
met zachte vinger op het hart.
En als de ziel, gebroken van verdriet,
geen woord meer hoort, ook troostend niet,
als allang is verstomd het stille klagen
in leed, dat zonder tranen wordt gedragen:
dan voelt het hart in orgeltonen
een groots en hemels soort verschonen
en vindt in de klank van de gezangen
de laatste troost, van tranen op de wangen.

Abendlied, Op. 69, no 3

Lucas 24:29 / Josef Rheinberger

Abendlied

Bleib bei uns,
denn es wil Abend werden,
und der Tag hat sich geneiget.
O bleib bei uns,
denn es will Abend werden.

Avondlied

Blijf bij ons,
want de avond zal vallen,
en de dag loopt ten einde.
O blijf bij ons,
want de avond zal vallen.

Ihr Musici, frisch auf!

Hans Leo Hassler

Ihr Musici, frisch auf

Ihr Musici,
frisch auf und lasst doch horen,
die lieblich Kunst,
tut euch zusammenkehren!
Ein jeder fass sein Stimm alsbald,
Tenor und Bass, Diskant und Alt.
Singt allerseits
zur Rechten und zur Linken,
dann wer nicht singt
der soll auch nich mit trinken.

Gij musici, komaan

Gij musici,
komaan en laat u horen,
de luisterrijke kunst,
brengt u samen in uw koren!
Eenieder neemt zijn partij snel aan,
tenor en bas, alt en sopraan.
Zingt allen samen
ter rechten en ter linken,
want wie niet zingt
doet ook niet mee met drinken.

Im kühlen Maien

Lustgarten neuer teutscher Gesäng / Hans Leo Hassler

Im kühlen Maien

Im kühlen Maien
tun sich all Ding erfreuen,
die Blümlein auf dem Feld
sich auch erneuen,
singen die Maidlein in ihren Reihen:
willkommen Maien!
Zwei liebe Herzen,
sind voller Freud und Scherzen,
vergessen alles Schmerzen.
Cupido blind,
das gar listige Kind,
gsellt sich dazu
mit seinem Pfeil geschwind.
Venus allwegen
gibt dazu ihren Segen,
auf dass zwei Herz’
sich tun in Lieb bewegen.

Wenn nun dies Leben
tut wohlgefallen eben,
der soll sich ohn Verzug
der Lieb ergeben,
und mit den Maidlein singen in Reihen:
willkommen Maien!

In de frisse maand van mei

In de frisse maand van mei
wordt de hele wereld blij,
de bloempjes in de wei
gaan opnieuw ontluiken,         
de meisjes zingen in hun rei:
welkom fijne maand van mei!
Twee verliefde harten duiken
vol gekheid en heel erg blij,
vergeten het gebakkelei.
Cupido blind,
dat zeer listige kind,
helpt hen daarbij
met zijn pijlen gezwind.
Venus allerwegen
geeft daartoe haar zegen,
opdat twee harten
zich in liefde bewegen.

Ieder die dit leven 
heel graag wil beleven,
moet zonder dralen
de liefde onthalen,
en met de meisjes zingen in de rei:
welkom fijne maand van mei! 

At the round earth’s imagined corners

John Donne / Hubert Parry

At the round earth’s imagin’d corners

At the round earth’s imagin’d corners, blow
Your trumpets, angels, and arise, arise
From death, you numberless infinities
Of souls, and to your scatter’d bodies go;

All whom the flood did, and fire shall o’erthrow,
All whom war, dearth, age, agues, tyrannies,
Despair, law, chance hath slain, and you whose eyes
Shall behold God and never taste death’s woe.

But let them sleep, Lord, and me mourn a space,
For if above all these my sins abound,
‘Tis late to ask abundance of thy grace
When we are there; here on this lowly ground

Teach me how to repent; for that’s as good
As if thou’hadst seal’d my pardon with thy blood.

Blaast de bazuinen

Blaast de bazuinen op de vier verbeelde hoeken
van de ronde aarde, engelen, sta op uit de dood,
gij onmetelijke zielenrij, om in uw nood
uw verstrooide lichamen terug te zoeken;

Allen die verdronken, die door oorlog, ouderdom, gebreken,
tyrannie, armoede, wanhoop, rechtspraak of pech verstreken,
allen die de poel des vuurs zal raken,
en gij die God zullen zien zonder ooit  de doodssmart te smaken.

Laat hen nog slapen Heer, en laat mij nog rouwen,
want als ik een grotere zondaar ben met al mijn gebreken,
ben ik te laat om uw overvloedige genade af te smeken
op de laatste dag. Leer me hier op aarde te berouwen,

want dat is net zo goed
als had gij mij vergeven met uw bloed.

I know my soul hath power

John Davies / Hubert Parry

I know my soul hath power

I know my soul hath power to know all things,
Yet she is blind and ignorant in all:
I know I’m one of Nature’s little kings,
Yet to the least and vilest things am thrall.

I know my life’s a pain and but a span;
I know my sense is mock’d in ev’rything;
And, to conclude, I know myself a Man,
Which is a proud and yet a wretched thing.

Ik weet mijn geest weet alles

Ik weet mijn geest weet alles op den duur,
toch is ze blind en in alles onwetend:
Ik weet mezelf een kleine koning van de natuur,
toch ben ik aan het minste en ellendigste geketend.

Ik weet mijn leven doet pijn en heeft een grens;
en mijn gevoel bedriegt me met het aardse slijk;
Om kort te gaan, ik weet ik ben een mens,
trots en beklagenswaardig tegelijk. 

Intorno all ‘idol mio

Marco Antonio Cesti

Intorno all’idol mio 

Intorno all’idol mio spirate pur, spirate,
Aure, Aure soavi e grate,
E nelle guancie elette
Baciatelo per me,
Cortesi, cortesi aurette!

Al mio ben, che riposa
Su l’ali della quiete,
Grati, grati sogni assistete
E il mio racchiuso ardore
Svelate gli per me,
O larve, o larve d’amore!

Rond mijn aanbedene waai

Rond mijn aanbedene waai, enkel waai,
winden, zachte en lieflijke winden,
en op die uitverkoren wangen
kus hem voor mij,
lieve, lieve briesjes!

Mijn liefste, die rust
op de vleugels van de vredigheid,
breng hem mooie dromen
en laat hem mijn verborgen
vuur gewaarworden,
o geesten, geesten van liefde.