Die Nachtigall, sie war entfernt
Der Frühling lockt sie wieder;
Was neues hat sie nicht gelernt
Singt alte liebe Lieder
De nachtegaal, ze was heel ver,
de lente lokt haar weer;
ze zingt nog steeds spectaculair
dezelfde liedjes keer op keer.
Die Nachtigall, sie war entfernt
Der Frühling lockt sie wieder;
Was neues hat sie nicht gelernt
Singt alte liebe Lieder
De nachtegaal, ze was heel ver,
de lente lokt haar weer;
ze zingt nog steeds spectaculair
dezelfde liedjes keer op keer.
Peace, gentle Peace, who, smiling through thy tears,
Returnest, when the sounds of war are dumb,
Replenishing the bruised and broken earth,
And lifting motherly her shattered form;
When comest thou? Our brethren long for thee.
Thou dost restore the darkened light of home,
Give back the father to his children’s arms;
Thou driest tenderly the mourner’s tears,
And all thy face is lit with holy light; –
Our earth is fain for thee! Return and come!
Vrede, lieve Vrede, die, glimlachend door uw tranen heen,
Terugkeert, als de geluiden van de oorlog zijn verstomd…
Gij vult de gekneusde en gebroken aarde weer aan,
En verheft moederlijk uw verbrijzelde gedaante,
Wanneer komt gij? Onze broeders verlangen naar u
Gij herstelt het verduisterde licht van thuis,
Laat de vader terugkeren in de armen van zijn kinderen
Gij droogt teder de tranen van de rouwenden,
En uw hele gelaat is verlicht met heilig licht
Onze aarde smacht naar u! Keer terug en kom.
Sing we and chant it
While love doth grant it.
Fa la la la la la
Not long youth lasteth,
And old age hasteth.
Now is best leisure
To take our pleasure.
Fa la la la la la
All things invite us
Now to delight us.
Fa la la la la la
Hence, care, be packing!
No mirth be lacking!
Let spare no treasure
To live in pleasure.
Fa la la la la la
Laat ons zingen en spelen
en de liefde met elkaar delen
Fa la la la la la
De jeugd duurt maar kort,
en ouderdom schrijdt voort
Nu is de beste tijd
voor vertier en vrolijkheid.
Fa la la la la la
Alle dingen dagen ons uit
om genot te vinden voluit.
Fa la la la la la
Zet je spullen maar vast klaar!
En wees vrolijk met elkaar!
Wees niet te armetierig
En maak het maar plezierig
Fa la la la la la
Wohlauf, gut Gsell, von hinnen,
meins Bleibens ist nimmer meh,
der Mai, der tut uns bringen
den Veiel und grünen Klee.
Vom Wald, da hört man singen,
der kleinen Vögleins Gsang,
sie singen mit heller Stimme
den ganzen Sommer lang.
Das Maidlein an der Zinnen,
sie sah zum Fenster naus,
aus rechter Lieb und Treue
warf sie zwei Kränzlein raus.
Das eine war von Raute,
das andre von grünen Klee:
Soll ich, Feinslieb, dich meiden,
tut meinem Herzen weh.
Welaan, kameraad, vanaf nu
kan ik niet langer blijven meer,
want de meimaand gaat opnieuw
met viooltjes en groene klaver tekeer.
Vanuit het bos hoor je ze zingen,
de kleine vogeltjes met hun gezang,
ze zingen met heldere stemmen
de hele zomer lang.
Het meisje van het kasteel
keek door de kleine ruiten,
uit ware liefde en trouw
wierp ze twee kransjes naar buiten.
De ene van geurige wijnruit,
de andere van groene klaver fijn:
als ik, oh liefje, jou moet mijden,
dan doet dat mijn hart veel pijn.
When Mary thro’ the garden went,
There was no sound of any bird,
And yet, because the night was spent,
The little grasses lightly stirred,
The flowers awoke, the lilies heard.
When Mary thro’ the garden went,
The dew lay still on flower and grass,
The waving palms above her sent
Their fragrance out as she did pass.
No light upon their branches was.
When Mary thro’ the garden went,
Her eyes, for weeping long, were dim.
The grass beneath her footsteps bent,
The solemn lilies, white and slim,
These also stood and wept for Him.
When Mary thro’ the garden went,
She sought, within the garden ground,
One for Whom her heart was rent,
One Who for her sake was bound,
One Who sought and she was found.
Toen Maria door de hof liep,
zong geen enkele vogel een ochtendlied,
en toch, terwijl de nacht verliep,
en de grassprietjes zich lichtjes bewogen,
ontwaakten de bloemen, de lelies bogen.
Toen Maria door de hof liep,
de dauw lag nog op bloem en gras,
de wuivende palmen verspreidden
de geur van onder haar pas.
Geen licht viel op het houtgewas.
Toen Maria door de hof liep,
waren haar ogen van ‘t wenen rood.
Het gras onder haar stap boog diep,
de plechtige lelies, witte deelgenoot,
zij weenden met haar om Zijn dood.
Toen Maria door de hof liep,
zocht ze, als balsem op de wonde,
die Ene, voor Wie ze was gekweld zo diep,
die Ene, Die met haar was verbonden,
die Ene Die zocht, en haar had gevonden.
Farewell, my joy! For other hearts the Spring,
For other eyes the roses; but for me
The iron gate, the shadowy cypress-tree,
The solemn dirge that cloistered voices sing.
Farewell, my joy! Alas, I loved thee well!
For no light matter had I let thee go.
I cherished thee in rain, and wind, and snow.
I bound thee to my breast with many a spell.
Hail and farewell, my joy! If I might give
To one sweet friend the rapture that I miss,
Read in her eyes the ecstasy of bliss,
Tho’ death were in my own, I yet should live.
Vaarwel mijn vreugd! Voor andere harten de lente,
voor andere ogen de rozen; maar voor mij
de ijzeren poort, de schaduw van de cipres,
de plechtige klaagzang die kloosterstemmen zingen.
Vaarwel mijn vreugd! Ach, ik hield zo van u!
Niet lichtvaardig moest ik u laten gaan.
Ik had u lief in regen, wind en sneeuw.
Ik bond u aan mijn hart met menige bezwering.
Heil en vaarwel, mijn vreugd! Als ik aan een lieve vriendin
de verrukking mocht geven die ik mis,
in haar ogen de vervoering van het genot mocht zien,
dan zou ik, hoewel de dood mij voor ogen stond, toch leven.
Es geht ein Wehen durch den Wald,
die Windsbraut hör ich singen.
Sie singt von einem Buhlen gut
und bis sie dem in Armen ruht,
muss sie noch weit in bangem Mut
sich durch die Lande schwingen.
Der Sang der klingt so schauerlich,
der klingt so wild, so trübe,
das heiße Sehnen ist erwacht,
mein Schatz zu tausend gute Nacht!
Es kommt der Tag eh du’s gedacht,
der eint getreue Liebe!
Er klinkt een zuchten door het woud,
een meisje hoor ik zingen.
Ze zingt over een goede knaap
en tot ze in zijn armen slaapt
moet ze zich eerst nog bang en koud
door al die akkers wringen.
Het lied klinkt droef en zo ontdaan,
het klinkt zo heftig, zo geraakt,
dat vurig verlangen is ontwaakt,
mijn lief voor duizendeneen nacht!
De dag zal komen, onverwacht,
dat de ware liefde op zal staan!
The bee buzzed up in the heat.
“I am faint for your honey, my sweet.”
The flower said, “Take it, my dear;
For now is the spring of the year.
So, come, come!”
“Hum!”
And the bee buzzed down from the heat.
And the bee buzzed up in the cold.
When the flower was withered and old.
“Have you still any honey, my dear?”
She said, “It’s the fall of the year,
But come, come!”
“Hum!”
And the bee buzzed off in the cold.
De bij zoemde op, het was heet.
“Ik hunker naar de honing onder je kleed.”
De bloem zei, “neem het, mijn minnaar;
want het is nu de lente van het jaar.
Dus kom, kom!”
“Mmmm!”
En de bij zoemde neer op zijn date.
En de bij zoemde op, het werd koud.
De bloem was verdord en al oud.
“Heb je nog wat honing voor me klaar?”
Ze zei, “Het is de herfst van het jaar,
maar kom, kom!”
“Mmmm!”
En de bij zoemde weg, het werd koud.
Music, when soft voices die,
Vibrates in the memory;
Odours, when sweet violets sicken,
Live within the sense they quicken.
Rose leaves, when the rose is dead,
Are heaped for the belovèd’s bed;
And so thy thoughts, when thou art gone,
Love itself shall slumber on.
Als zachte stemmen gaan teloor,
trilt muziek in het geheugen door;
De geuren van zoete viooltjes in verval,
leven verder in ons gevoel vooral.
Rozenblaadjes liggen, als de roos is overleden,
gestapeld voor de geliefde bedstede;
Net zo zal de liefde zelf smeulen blijven
zo u er niet meer bent in levende lijve.
Hilli-Ho! Hilli-Ho! Wind thy horn, my hunter boy,
And leave thy lute’s inglorious sighs;
Hunting is the hero’s joy,
Till war his nobler game supplies.
Hark! the hound-bells ringing sweet,
While hunters shout and the woods repeat,
Hilli-ho! Hilli-ho!
Wind again thy cheerful horn,
Till echo, faint with answering, dies:
Burn, bright torches, burn till morn,
And lead us where the wild boar lies.
Hark! the cry, “He’s found, he’s found,”
While hill and valley our shouts resound.
Hilli-ho! Hilli-ho!
Hey-ho! Hey-ho! Mijn jagerjongen, blaas je hoorn,
en staak het eerloze getokkel van je luit;
jagen kan alleen de man bekoren,
hopelijk breekt snel de nog edeler oorlog uit.
Hoor! de hondenbellen klinken zoet,
terwijl de jagers roepen en het bos herhalen moet,
hey-ho! Hey-ho!
Blaas nog een keer vrolijk op je hoorn,
tot de echo, met z’n vage antwoord, verdwijnt:
brand, heldere fakkels, brand de nacht door
en leid ons naar het everzwijn.
Hoor! de schreeuw: “we hebben hem,”
in heuvel en vallei weergalmt onze stem
hey-ho! Hey-ho!