O primavera, gioventù dell’anno

Claudio Monteverdi (1567-1643)

O primavera, gioventù dell’anno,
bella madre de’ fiori,
d’erbe novelle, e di novelli amori;
tu ben lasso ritorni,
ma senza i cari giorni
delle spiranze mie;
tu ben sei quella
ch’eri pur dianzi si verzzosa e bella.
Ma non son io quel che già un tempo fui,
sì caro agli occhi altrui.

O voorjaar, jeugd van het jaar,
mooie moeder van de bloemen,
van nieuwe kruiden, en van nieuwe liefdes;
je komt op het juiste moment terug,
maar zonder de dierbare dagen
waar ik op hoopte;
jij bent inderdaad
dezelfde als voorheen, zo groen en mooi.
Maar ik ben niet meer die ik ooit was,
zo geliefd in de ogen van die ander.