Music, when soft voices die,
Vibrates in the memory;
Odours, when sweet violets sicken,
Live within the sense they quicken.
Rose leaves, when the rose is dead,
Are heaped for the belovèd’s bed;
And so thy thoughts, when thou art gone,
Love itself shall slumber on.
Als zachte stemmen gaan teloor,
trilt muziek in het geheugen door;
De geuren van zoete viooltjes in verval,
leven verder in ons gevoel vooral.
Rozenblaadjes liggen, als de roos is overleden,
gestapeld voor de geliefde bedstede;
Net zo zal de liefde zelf smeulen blijven
zo u er niet meer bent in levende lijve.