Farewell, my joy

Mary E. Coleridge / Charles Villiers Stanford

Farewell, my joy! For other hearts the Spring,
For other eyes the roses; but for me
The iron gate, the shadowy cypress-tree,
The solemn dirge that cloistered voices sing.
 
Farewell, my joy! Alas, I loved thee well!
For no light matter had I let thee go.
I cherished thee in rain, and wind, and snow.
I bound thee to my breast with many a spell.
 
Hail and farewell, my joy! If I might give
To one sweet friend the rapture that I miss,
Read in her eyes the ecstasy of bliss,
Tho’ death were in my own, I yet should live.

Vaarwel mijn vreugd! Voor andere harten de lente,
voor andere ogen de rozen; maar voor mij
de ijzeren poort, de schaduw van de cipres,
de plechtige klaagzang die kloosterstemmen zingen.
 
Vaarwel mijn vreugd! Ach, ik hield zo van u!
Niet lichtvaardig moest ik u laten gaan.
Ik had u lief in regen, wind en sneeuw.
Ik bond u aan mijn hart met menige bezwering.
 
Heil en vaarwel, mijn vreugd! Als ik aan een lieve vriendin
de verrukking mocht geven die ik mis,
in haar ogen de vervoering van het genot mocht zien,
dan zou ik, hoewel de dood mij voor ogen stond, toch leven.