When Mary thro’ the garden went

Mary E. Coleridge / Charles Villiers Stanford

When Mary thro’ the garden went,
There was no sound of any bird,
And yet, because the night was spent,
The little grasses lightly stirred,
The flowers awoke, the lilies heard.
 
When Mary thro’ the garden went,
The dew lay still on flower and grass,
The waving palms above her sent
Their fragrance out as she did pass.
No light upon their branches was.
 
When Mary thro’ the garden went,
Her eyes, for weeping long, were dim.
The grass beneath her footsteps bent,
The solemn lilies, white and slim,
These also stood and wept for Him.
 
When Mary thro’ the garden went,
She sought, within the garden ground,
One for Whom her heart was rent,
One Who for her sake was bound,
One Who sought and she was found.

Toen Maria door de hof liep,
zong geen enkele vogel een ochtendlied,
en toch, terwijl de nacht verliep,
en de grassprietjes zich lichtjes bewogen,
ontwaakten de bloemen, de lelies bogen.  
 
Toen Maria door de hof liep,
de dauw lag nog op bloem en gras,
de wuivende palmen verspreidden
de geur van onder haar pas.
Geen licht viel op het houtgewas.
 
Toen Maria door de hof liep,
waren haar ogen van ‘t wenen rood.
Het gras onder haar stap boog diep,
de plechtige lelies, witte deelgenoot,
zij weenden met haar om Zijn dood.
 
Toen Maria door de hof liep,
zocht ze, als balsem op de wonde,
die Ene, voor Wie ze was gekweld zo diep,
die Ene, Die met haar was verbonden,
die Ene Die zocht, en haar had gevonden.

Farewell, my joy

Mary E. Coleridge / Charles Villiers Stanford

Farewell, my joy! For other hearts the Spring,
For other eyes the roses; but for me
The iron gate, the shadowy cypress-tree,
The solemn dirge that cloistered voices sing.
 
Farewell, my joy! Alas, I loved thee well!
For no light matter had I let thee go.
I cherished thee in rain, and wind, and snow.
I bound thee to my breast with many a spell.
 
Hail and farewell, my joy! If I might give
To one sweet friend the rapture that I miss,
Read in her eyes the ecstasy of bliss,
Tho’ death were in my own, I yet should live.

Vaarwel mijn vreugd! Voor andere harten de lente,
voor andere ogen de rozen; maar voor mij
de ijzeren poort, de schaduw van de cipres,
de plechtige klaagzang die kloosterstemmen zingen.
 
Vaarwel mijn vreugd! Ach, ik hield zo van u!
Niet lichtvaardig moest ik u laten gaan.
Ik had u lief in regen, wind en sneeuw.
Ik bond u aan mijn hart met menige bezwering.
 
Heil en vaarwel, mijn vreugd! Als ik aan een lieve vriendin
de verrukking mocht geven die ik mis,
in haar ogen de vervoering van het genot mocht zien,
dan zou ik, hoewel de dood mij voor ogen stond, toch leven.

The blue bird

Mary Coleridge / Charles Villiers Stanford

The blue bird

The lake lay blue below the hill.
O’er it, as I looked, there flew
Across the waters, cold and still,
A bird whose wings were palest blue.

The sky above was blue at last,
The sky beneath me blue in blue.
A moment, ere the bird had passed,
It caught his image as he flew.

De blauwe vogel

Vanaf de heuvel zag ik blauw het meer.
Daarboven vloog voor dag en dauw,
het water koud, verstilde sfeer,
een vogel van een hemels blauw.

En boven mij de blauwe lucht,
de lucht beneden blauw in blauw.
Een oogwenk in de vogel’s vlucht
ving het zijn beeltenis nog gauw.

Quick! We have but …

Thomas Moore / Charles Villiers Stanford

Quick! We have but …

Quick! We have but a second,
Fill round the cup while you may
For time, the churl, hath beckoned
And we must away, away! 
Grasp the pleasure that’s flying
For oh! not Orpheus’ strain
Could keep sweet hours from dying
Or charm them to life again. 
Then, quick! We have but a second,
Fill round the cup while you may
For time, the churl, hath beckoned
And we must away, away!

See the glass, how it flushes
Like some young hebe’s lip
And half meets thine, and blushes
That thou shouldst delay to sip.
Shame, oh, shame unto thee
If e’er thou seest that day
When a cup or a lip shall woo thee
And turn untouched away.
Then quick! We have but a second,
Fill round the cup while you may
For time, the churl, hath beckoned
And we must away, away!

Snel, we hebben maar…

Snel, we hebben maar even,
vul de glazen nog maar eens aan
want tijd, de lomperik, lonkt al
en we moeten nu echt gaan!
Grijp het plezier, het vliegt voorbij
want oh, zelfs de melodie van Orpheus 
kan zoete uren niet doen stilstaan
of ze weer tot leven wekken
Snel dan, we hebben maar even,
vul de glazen nog maar eens aan
want tijd, de lomperik, lonkt al
en we moeten nu echt gaan!

Zie het glas kleuren
als de lippen van de jonge Hebe
en half de jouwe raken, en blozen
dat je nog even moet wachten op je slok
schaam je, oh je moet je schamen
als je ooit de dag beleeft
dat een glas of een lip je het hof maakt
en jij wegdraait, heel onbeleefd.
Snel dan, we hebben maar even,
vul de glazen nog maar eens aan
want tijd, de lomperik, lonkt al
en we moeten nu echt gaan!