When Mary thro’ the garden went,
There was no sound of any bird,
And yet, because the night was spent,
The little grasses lightly stirred,
The flowers awoke, the lilies heard.
When Mary thro’ the garden went,
The dew lay still on flower and grass,
The waving palms above her sent
Their fragrance out as she did pass.
No light upon their branches was.
When Mary thro’ the garden went,
Her eyes, for weeping long, were dim.
The grass beneath her footsteps bent,
The solemn lilies, white and slim,
These also stood and wept for Him.
When Mary thro’ the garden went,
She sought, within the garden ground,
One for Whom her heart was rent,
One Who for her sake was bound,
One Who sought and she was found.
Toen Maria door de hof liep,
zong geen enkele vogel een ochtendlied,
en toch, terwijl de nacht verliep,
en de grassprietjes zich lichtjes bewogen,
ontwaakten de bloemen, de lelies bogen.
Toen Maria door de hof liep,
de dauw lag nog op bloem en gras,
de wuivende palmen verspreidden
hun geur van onder haar pas.
Geen licht viel op het houtgewas.
Toen Maria door de hof liep,
waren haar ogen van ‘t wenen rood.
Het gras onder haar stap boog diep,
de plechtige lelies, witte deelgenoot,
zij weenden met haar om Zijn dood.
Toen Maria door de hof liep,
zocht ze, als balsem op de wonde,
die Ene, voor Wie ze was gekweld zo diep,
die Ene, Die met haar was verbonden,
die Ene Die zocht, en haar had gevonden.