Si dolce è il tormento

Carlo Milanuzzi / Claudio Monteverdi

Dit lied staat al heel lang hoog op mijn verlanglijstje vanwege de prachtige melodie. De tekst voegt daar nog extra lading aan toe.

Si dolce è il tormento

Sì dolce è il tormento
che in seno mi sta
ch’io vivo contento
per cruda beltà…
nel ciel di bellezza
s’accreschi fierezza
et manchi pietà
che sempre qual scoglio
all’onda d’orgoglio
mia fede sarà…

La speme fallace
rivolgami il piè
diletto né pace
non scendano a me
e l’empia ch’adoro
mi nieghi ristoro
di buona mercè
tra doglia infinita,
tra speme tradita
vivrà la mia fe’…

Per foco e per gelo
riposo non ho
nel porto del Cielo
riposo haverò…
se colpo mortale
con rigido strale
il cor m’impiagò
cangiando mia sorte
col dardo di morte
il cor sanerò…

Se fiamma d’amore
già mai non sentì
quel riggido core
ch’il cor mi rapì
se nega pietate
la cruda beltate
che l’alma invaghì
ben fia che dolente
pentita e languente
sospirimi un dì…

Zo zoet is de kwelling

Zo zoet is de kwelling
die woelt in mijn hart
dat ik mijn geluk vind
in schoonheid zo hard…
haar hemelse schoonheid
vermeerdert de fierheid
waar meelij verhardt
dat steeds als een rots
in golven van trots
mijn trouw toch volhardt…  

Laat me voorkomen
dat ooit valse dromen
en vreugde of vrede
over mij komen
Laat mijn verdorven lief
volledig mijn gerief
maar dwarsbomen  
in oneindig leed,
in de bedrogen eed
zal mijn trouw bovenkomen…

In vuur en ijs
vind ik geen rust
eerst in de Hemel
wordt mijn onrust gesust…
door een harde bijl
of een liefdespijl
werd mijn hart uitgeblust
de pijl van de dood
stilt dan mijn nood
en brengt mijn hart tot rust…

Zoals haar koude hart
mij zo kon vangen
maar zij nooit het liefdesvuur
mocht ontvangen
zoals de harde schoonheid
die mijn ziel heeft verleid
mij houdt krijgsgevangen
laat haar zo vol strijd
en met smachtende spijt
ooit naar mij verlangen…

Sestina ‘Lagrime d’amante al sepolcro dell’amata’

Scipione Agnelli / Claudio Monteverdi

Lagrime d’Amante al Sepolcro dell’ Amata

De vertaling van Sestina ‘Lagrime d’amante al sepolcro dell’amata’ van Monteverdi

Zo niet het hoogtepunt dan toch een parel in de madrigaalkunst is de zesdelige madrigaalcyclus ‘Sestina’ van Claudio Monteverdi. De titel van het werk is ‘Lagrime d’amante al sepolcro dell’amata’: de tranen van de minnaar aan het graf van zijn beminde. Mooie uitvoeringen zijn te horen op youtube, bijvoorbeeld https://www.youtube.com/watch?v=Bq2gC9-ILFA.

Zo bijzonder de muziek, zo apart is ook de tekst, maar op een andere manier. Het woord Sestina heeft betrekking op de dichtvorm, een sestina is een gedicht van 39 regels (6×6 + 3), met zeer strikte vormeisen. De zes laatste woorden van elke regel van het eerste couplet hoeven niet onderling te rijmen, maar zijn ook het laatste woord van elke regel in de volgende coupletten. Bovendien moeten ze alle zes in het laatste couplet van drie regels ook elk éénmaal voorkomen. Een uitgebreide toelichting vindt u op https://www.poets.org/poetsorg/text/poetic-form-sestina

Door deze strenge vorm ontstaat een tekst, die knap gemaakt maar poëtisch misschien minder briljant is. Het gedicht leent zich echter uitstekend voor een prachtige muzikale uitwerking. Scipione Agnelli heeft dit gedicht speciaal voor Monteverdi gecomponeerd, na de dood van zijn achttienjarige leerlinge Caterina Martinelli.
Hij gebruikt op de zes regels van elke strofe de volgende eindwoorden:

tomba (graf, tombe, grafkelder);
cielo (hemel, lucht, gewelf);
terra (aarde, wereld, grond, bodem, land);
seno (borst, hart, gemoed, schoot);
pianto (geween, gehuil, tranen)
Glauco (de naam van de minnaar, die verwijst naar een zeegod uit de griekse mythologie).

Agnelli gebruikt dus twee eindklinkers (o en a) en mannelijk rijm voor zijn eindwoorden. Dat is in een Nederlandse vertaling niet allemaal te handhaven. Met een beetje keuzevrijheid ontstaat de vertaling hieronder.

Sestina

I
Incenerite spoglie, avara tomba
Fatta del mio bel sol terreno cielo.
Ahi lasso! I’ vegno ad inchinarvi in terra!
Con voi chius’è il mio cor a marmi in seno,
E notte e giorno vive in pianto, in foco,
In duol’ in ira il tormentato Glauco.

II
Ditelo, o fiumi, e voi ch’udiste Glauco
L’aria ferir di grida in su la tomba
Erme campagne, e ’I san le Ninfe e ‘l Cielo;
A me fu cibo il duol, bevanda il pianto,
Poi ch’il mio ben coprì gelida terra,
Letto, o sasso felice, il tuo bel seno.

III
Darà la notte il sol lume alla terra,
Splenderà Cinzia il dì prima che Glauco
Di baciar, d’honorar, lasci quel seno
Che nido fu d’amor, che dura tomba
Preme; né sol d’alti sospir, di pianto,
Prodighe a lui saran le fere e ’l Cielo.

IV
Ma te raccoglie, o Ninfa, in grembo il cielo.
lo per te miro vedova la terra
Deserti i boschi, e correr fiumi il pianto.
E Driade e Napee del mesto Glauco
Ridicono i lamenti, e su la tomba
Cantano i pregi de l’amato seno.

V
O chiome d’or, neve gentil del seno,
O gigli de la man, ch’invido il cielo
Ne rapì, quando chiuse in cieca tomba,
Chi vi nasconde? Ohimè! Povera terra!
Il fior d’ogni bellezza, il sol di Glauco
Nasconde? Ah muse, qui sgorgate il pianto.

VI
Dunque, amate reliquie, un mar di pianto
Non daran questi lumi al nobil seno
D’un freddo sasso? Ecco l’afflitto Glauco
Fa rissonar Corinna il mar e ’l Cielo!
Dicano i venti ogn’hor dica la terra,
Ahi Corinna! Ahi morte! Ahi tomba!

Cedano al pianto i detti, amato seno;
A te dia pace il Cielo, pace a te Glauco
Prega, honorata tomba e sacra terra.

Sestina

I
Verbrande resten, gierige grafsteen,
dat is wat blijft van mijn mooie zon, mijn aardse hemel,
Ach, helaas, ik kom u neerleggen in de grond!
mijn hart is met u opgesloten in uw marmeren schoot.
en dag en nacht leeft hij in in vuur, in geween,
in smart, in woede, de gefolterde Glaucus. 

II
Vertel, o rivieren, en jullie, die aanhoren hoe Glaucus
de lucht doorklieft met jammerkreten op de steen
doodse velden, en de nymphen en de hemel
weten het: smart is mijn voedsel, ik drink het geween,
sinds mijn liefste wordt bedekt door ijskoude grond,
o gelukkige steen, jij bent het bed voor haar schoot.  

III
Eerder zal de zon ’s nachts schijnen op de grond
en de maan overdag, dan dat Glaucus
stopt met kussen en eer bewijzen aan deze schoot,
het nest van zijn liefde, nu bedekt door de harde steen;
Mogen de wilde dieren en de hemel
hem meer schenken dan geweeklaag en geween.

IV
Maar ontvang haar, o nimf, in de schoot van de hemel.
ik zie naar jou want een weduwe werd de grond,
de bossen zijn verlaten, overal is geween.
boomnimfen en bosnimfen herhalen met Glaucus
zijn verdriet en zijn jammerklachten, en op de grafsteen
zingen zij de lofzang voor de geliefde schoot.

V
O gouden haardos, lieflijke sneeuw van haar schoot,
o lelies van haar hand, die de jaloerse hemel
heeft geroofd, nu ze is opgesloten onder de blinde steen,
wie verstoppen jullie? O wee! Arme grond!
Verberg je de schone bloem, de zon van Glaucus?   
Ach, muzen, hier is alleen maar geween.

VI
Welnu, beminde resten, zal zoveel geween
van mijn ogen neerstorten op de edele schoot
van een koude steen? Echo, ziedaar de gekwelde Glaucus,
die schreeuwt om Corinna tegen de zee en de hemel!
Laat de winden ieder uur roepen, en laat roepen de grond,
Ach Corinna! Ach dood! Ach grafsteen!

Laat woorden wijken voor geween, geliefde schoot;
aan jou geve de hemel vrede. Voor jou smeekt Glaucus
om vrede, een geëerde grafsteen en heilige grond.

Lamento della ninfa

Ottavio Rinuccini / Claudio Monteverdi

Lamento della ninfa

Non havea Febo
Non havea Febo ancora
recato al mondo il dì
ch’una donzella fuora
del proprio albergo uscì.

Sul pallidetto volto
scorgease il suo dolor,
spesso gli venia sciolto
un gran sospir dal cor.

Sì calpestando fiori,
errava hor qua, hor là,
i suoi perduti amori
così piangendo va:

Amor
Amor, dicea, il ciel
mirando il piè fermò
dove, dov’è la fé
che ‘l traditor giurò?
Miserella

Fa che ritorni il mio
amor com’ei pur fuo,
o tu m’ancidi, ch’io
non mi tormenti più.
Miserella, ah più no,
tanto gel soffrir non può.

Non vo’ più che i sospiri
se non lontan da me,
no, no, che i suoi martiri
più non dirammi, affé!
Miserella, ah più no,
tanto gel soffrir non può.

Perché di lui mi struggo
tutt’orgoglioso sta,
che sì, che sì se ‘l fuggo
ancor mi pregherà?
Miserella

Se ciglio ha più sereno
colei che ‘l mio non è,
già non rinchiude in seno
Amor si bella fé.
Miserella, ah più no,
tanto gel soffrir non può.

Né mai si dolci baci
da quella bocca havrai,
né più soavi; ah, taci,
taci, che troppo il sai.”

Si, tra sdegnosi 
Sì tra sdegnosi pianti
spargea le voci al ciel;
così ne’ cori amanti
mesce Amor fiamma e gel. 

Klaagzang van een meisje

Phoebus had nog niet
Phoebus had het licht nog niet
naar de wereld gebracht
toen een meisje
uit haar huis tevoorschijn kwam.

Op haar bleke gezicht
was haar verdriet te zien,
en vaak kwam er een
diepe zucht vanuit haar hart.

Zo vertrapte ze de bloemen,
dwaalde nu hier, dan daar,
en beklaagde zich over
haar verloren liefde aldus:

Liefde
Liefde, sprak ze,
onbeweeglijk starend naar de hemel,
waar is de trouw
die de verrader gezworen heeft?  
Arm meisje

Maak dat mijn lief terugkomt
zoals voorheen,
of dood mij, zodat ik
niet meer hoef te lijden.
Arm meisje, ach ze kan deze
ijzige kou niet meer verdragen.

Ik wil hem niet meer begeren,
als hij bij me is,
Nee, nee, hij laat me niet
meer lijden, op mijn woord!
Arm meisje, ach ze kan deze
ijzige kou niet meer verdragen.

Omdat ik naar hem smacht
is hij zo arrogant,
misschien als ik van hem wegvlucht
zal hij me nog komen smeken?
Arm meisje

Als haar ogen mooier zijn 
dan de mijne,
heeft de liefde niet zulke trouw 
in haar hart gesloten.
Arm meisje, ach ze kan deze
ijzige kou niet meer verdragen.

Nooit zal hij zulke zoete kussen
van haar lippen krijgen,
en zo teder; ach, zwijg,
zwijg, je hebt al teveel gezegd. 

Ja, tussen boze
Ja, tussen haar boze tranen
richt ze haar stem tot de hemel;
zo kan de liefde vuur en ijs planten
in het hart van geliefden.

Lamento d’Ariana

Ottavio Rinuccini / Claudio Monteverdi

Lamento d’Ariana

1.
Lasciatemi morire!
E chi volete voi che mi conforte
in così dura sorte,
in così gran martire?
Lasciatemi morire!

2.
O Teseo, o Teseo mio,
sì che mio ti vo’ dir, chè mio pur sei,
benchè t’involi, ahi crudo! a gl’occhi miei.
Volgiti, Teseo mio,
volgiti, Teseo, o Dio!
Volgiti in dietro a rimirar colei
che lasciato ha per te la patria e’l regno,
e’n queste arene ancora,
cibo di fere dispietate e crude,
lascierà l’ossa ignude.
O Teseo, o Teseo mio,
se tu sapessi, o Dio!
Se tu sapessi, ohimè!, come s’affanna
la povera Arianna,
forse forse pentito
rivolgeresti ancor la prora al lito.
Ma, con l’aure serene
tu te ne vai felice, ed io qui piango.
A te prepara Atene
liete pompe superbe, ed io rimango
cibo di fere in solitarie arene.
Te l’un e l’altro tuo vecchio parente
stringerai lieto, ed io
più non vedrovi, o madre, o padre mio!

3.
Dove, dove è la fede,
che tanto mi giuravi?
Così ne l’alta sede
tu mi ripon de gl’avi?
Son queste le corone
onde m’adorni il crine?
Questi gli scetri sono,
questi le gemme e gl’ori?
Lasciarmi in abbandono
a fera che mi strazi e mi divori?
Ah, Teseo, ah Teseo mio,
lascierai tu morire,
in van piangendo, in van gridando aita,
la misera Arianna
ch’a te fidossi e ti diè gloria e vita?

4.
Ahi, che non pur risponde!
Ahi, che più d’aspe è sord’a miei lamenti!
O nembi, o turbi, o venti,
sommergetelo voi dentro a quell’onde!
Correte, orchi e balene,
e delle membr’immonde
empiete le voragini profonde!
Che parlo, ahi! Che vaneggio?
Misera, ohimè! Che chieggio?
O Teseo, o Teseo mio,
non son, non son quell’io,
non son quell’io che i feri detti sciolse:
Parlò l’affanno mio, parlò il dolore;
Parlò la lingua sì, ma non già ‘l core.

Klaagzang van Ariadne

1.
Laat mij maar sterven!
Wie wil je dat mij troost verschaft
nu ik zo bitter word gestraft,
in mijn ellendige bestaan?
Laat mij maar dood gaan!

2.
O Theseus, mijn Theseus,
ja ik zeg mijn, je bent nog steeds mijn,
hoewel je uit mijn ogen verdwijnt, hoe wreed kun je zijn!
Keer om, mijn Theseus, mijn lot,
kom terug, Theseus, oh mijn god!
Keer terug en kijk opnieuw haar aan
die voor jou haar land en koninkrijk liet gaan,
en die je op dit strand liet staan,  
ten prooi aan menig wildebeest
de naakte botten wreed ontvleesd.
O mijn Theseus, mijn lot,
als je zou weten, oh mijn god!
als je wist, o wee, hoe Ariadne lijdt
in haar armzalige eenzaamheid,
misschien, misschien toch schuldbewust
stuurde je je schip nog terug naar de kust.
Maar, met een kalme wind ga je heen,
vaar je blijmoedig voort, en ik ween.
Athene bereidt jou een feestelijk onthaal
en ik blijf hier achter, als een lekker maal
voor de wilde dieren op het eenzame strand.
Je ouders zullen je een voor een
blij omarmen, en ik blijf alleen
zal nooit meer zien mijn ouders of mijn land!

3.
Waar, waar is jouw eed van trouw gebleven,
die je me zo vaak gezworen hebt?
Is dit hoe je mij op de verheven
troon van mijn voorouders terugzet?
Is dit de kroon op mijn hoofd
die je mij had beloofd?
Zijn dit de scepters waar je van sprak,
zijn dit de juwelen, is dit de gouden plak?
Mij zo achter te laten voor de roofdieren,
om te verslinden en kaal te vreten als aasgieren?
Ach, Theseus, mijn Theseus,
op weg naar je huis
stort je die arme Ariadne in haar graf
ondanks haar tranen en hulpgeroep, als straf
voor haar, die jou roem en leven gaf?

4.
Ach, er komt geen antwoord op mijn klaagzang!
Helaas, hij is nog dover dan een slang!
O wolken, o winden, orkaan,
laat zijn schip in de golven vergaan!
Zeemonsters, walvissen en veelvraten
maak voort, en vul de diepste gaten
met zijn gore ledematen!
Ach, wat zeg ik, ben ik aan ’t ijlen?
Ik, ongelukkige! Kan ik mezelf nog peilen?
O Theseus, mijn Theseus,
ik ben mezelf niet, ik ben abuis,
deze wrede woorden getuigen van mijn smart:
het was mijn angst die sprak, mijn verdriet;
mijn tong sprak wel, maar niet mijn hart.