Olim lacus colueram

Carmina Burana / Carl Orff

Olim lacus colueram

Olim lacus colueram,
olim pulcher extiteram,
dum cignus ego fueram.

Miser, miser!
Modo niger
et ustus fortiter!

Girat, regirat garcifer;
me rogus urit fortiter:
propinat me nunc dapifer,

Miser, miser!
Modo niger
et ustus fortiter!

Nunc in scutella iaceo,
et volitare nequo
dentes frendentes video:

Miser, miser!
Modo niger
et ustus fortiter!

Zwanenzang

Vroeger zwom ik op het meer,
men bewonderde mij zeer,
een witte zwaan in iedere veer.

Het is gedaan!
Ik ben nu een zwarte zwaan,
ben door het vuur gegaan!

De kok blijft draaien tot ik smoor,
roostert me door en door en door,
men heft het glas, ik ga teloor!

Het is gedaan!
Ik ben nu een zwarte zwaan,
ben door het vuur gegaan!

Ik zal vleugellam verbranden
en dan op de schaal belanden,
zie alleen hapgrage tanden:

het is gedaan!
Ik ben nu een zwarte zwaan
ben door het vuur gegaan!

O cessate di piagarmi

Alessandro Scarlatti

O cessate di piagarmi

O cessate di piagarmi,
o lasciatemi morir!
Luci ingrate, dispietate,
Più del gelo e più de’ marmi
fredde e sorde a’ miei martir.

Più d’un angue, più d’un aspe
crudi e sordi a’ miei sospir,
[occhi alteri, ciechi e fieri,]
voi potete risanarmi,
e godete al mio languir.

O, houd op met deze kwelling

O, houd op met deze kwelling,
of maak een einde aan mijn dagen!
Ondankbare, genadeloze ogen,
kouder dan steen, kouder dan ijs
en doof voor mijn klagen.

Wreder dan een adder, een serpent
en doof voor mijn jammerklachten,
(trotse ogen, blind en wreed)
jullie kunnen mij genezen,
maar genieten van mijn smachten.

Om in vertaling te zingen:
Houd nu op mij te belagen,
of laat mij ten onder gaan!
Liefdeloze, kille ogen,
kouder nog dan winterdagen,
kijken mij ongenadig aan.

Musiciens, qui chantez à plaisir

Hubert Waelrant

Musiciens, qui chantez à plaisir

Musiciens qui chantez à plaisir,
Qui gringotez, refringotez la note.
Prenez un ton plus doux, et à loisir, 
Signifiant ce que le chant dénote,
Accordez-vous, ainsi que la linote
Qui prend plaisir en son chant gracieux.
Soyez experts des oreilles et des yeux,
Ou autrement il vaudrait mieux vous taire.
Et je vous prie, que vous soyez soigneux 
De ne chanter, que vous n’avez à boire.

Musici, zangers voor het plezier

Musici, zangers voor het plezier,
jullie kwetteren en kwelen de noten.
Zing een toontje lager, zodat in de zwier
de sfeer van het lied wordt ontsloten,
stem je af met soortgenoten,
zoals vogels in hun sierlijke koor.
wees vaardig met oog en oor,
anders kun je beter niet klinken.
En zorg er alsjeblieft goed voor  
om niet te zingen zonder iets te drinken.

Matona, mia cara

Orlando di Lasso

Hete soldatenliefde

‘Matona mia cara’ is een warmbloedig, beloftevol en enigszins plat soldatenlied. Soms wordt per abuis gedacht dat dit een Marialied is, maar in werkelijkheid gaat het over een soldaat die een schone dame probeert te verleiden.

Di Lasso werd in 1532 als Orlande de Lassus geboren in Bergen (Mons) in Henegouwen (nu België). Als componist behoort hij dus tot de ‘componisten van de Lage Landen’. Hij was een echte Europeaan, reisde en werkte in verschillende landen, en verwierf internationaal groot aanzien.

Hoewel ‘Matona’ in onze tijd geen onbekende is, hoor je niet direct waar het over gaat. Voor de vertaling heb ik geprobeerd ritme en rijm, die een belangrijke rol hebben in dit lied, ‘mee te vertalen’. 

Matona, mia cara

Matona, mia cara, Mi follere canzon, 
Cantar sotto finestra, Lantze bon compagnon. 
 
Ti prego m’ascoltare, che mi cantar de bon,
E mi ti foller bene, come greco e capon.
 
Com’andar alle cacce, cacciar, cacciar con le falcon,
Mi ti portar becacce, grasse come rognon.
 
Se mi non saper dire, tante belle razon,
Petrarcha mi non saper, Ne fonte d’Helicon.
 
Se ti mi foller bene, mi non esser poltron,
Mi ficcar tutta notte, urtar come monton,

Don don don, diri diri, don don don don.

Mijn lieve, schone dame

hoor lieve schone dame, mijn lied in vierkwartsmaat, 
ik zing hier voor jouw venster, ik ben een goed soldaat. 
 
Ik vraag je om te luist’ren, ik zing geheel niet kwaad, 
en ik zal van je houden, als een Griek van zijn gebraad. 
 
Ik zal voor jou gaan jagen, de valk mijn beste maat, 
dan breng ik jou een duifje, een vette van formaat. 
 
‘k heb weinig mooie woorden, en ook geen gladde praat, 
ik ken Petrarca niet, en ook Helicon is een hiaat. 
 
Als jij mij wel ziet zitten, dan ben ik snel paraat, 
Ik kan nachtenlang seksen, tot aan de dageraad. 

Tra la la, tierelierelierelaat.

Madrigale a 5

Alessandro Scarlatti

Vier vijfstemmige madrigalen van Alessandro Scarlatti

Sdegno La Fiamma Estinse

Sdegno la fiamma estinse
E rintuzzò lo strale,
E sciolse il nodo,
Che m’arse, che mi punse,
E che m’avvinse.
Né di legame il core paventa,
Né di piaga, né d’ardore
Né cura se baleni;
Perfida!
O s’hai quegl’occhi tuoi sereni
Che lieti fuor dell’ amoroso impaccio,
Sprezza l’incendio, le quadrelle e’l laccio.

Verachting doofde het vuur

Verachting doofde de vlammen,
stompte de pijl af
en hakte de knoop door,
die me verteerden, die me verwondde
en waar ik in verstrikt zat.
Mijn hart vreest noch de band,
noch verwonding, noch vuur
en ik heb geen zorg om de bliksem:
Trouweloze!
O jij met je mooie ogen,
vrolijk zonder de pijn van de liefde,
onderschat het vuur, de pijlen en de valstrik.

O Selce, O Tigre, O Nynfa

O Selce, o tigre, o nynfa,
Fredda, crudele e bella,
Ch’innamori mai sempre e mai non ami.
Tu saetti se miri
E le faville a chi ti mira avventi
E mirante é mirata,
Bella si, ma spietata.
O col ferro, o col dardi
Altrui tormenti
E scherzi con Amor e non lo senti.

O steen, o tijger, o nimf

O steen, o tijger, o nimf,
zo koud, zo wreed en schoon,
die altijd bekoort, maar nooit liefheeft.
Je mikt je pijlen,
je werpt je vonken naar wie je bekijkt,
en wie werpt wordt bekeken,
mooi, maar meedogenloos ben je.
Met dolk en pijlen
kwel je de anderen
en speel je met de liefde, die je niet voelt.

O Morte

O morte agl’ altri fosca a me serena,
Scaccia con il tuo stral lo stral d’amore.
Spenga il tuo ghiaccio l’amoroso ardore,
Spezzi la falce tua la sua catena.

O dood

O dood, voor anderen zwart, voor mij zo licht,
Maak met jouw pijlen een einde aan ‘t liefdesuur.
Doof met jouw ijzige koude het liefdesvuur,
Verbreek de keten met jouw zeis, volvoer je plicht.

Arsi un tempo

Arsi un tempo e l’ardore
Fu già soave al core.
Hor prendo amor per gioco
Ghiaccio fatto il desio
Cenere il fuoco.

In vuur en vlam

Eens stond ik in vuur en vlam en de gloed
drong in mijn hart al zacht en goed.
De liefde is niet meer zo kras
nu ijs is waar begeerte was
en van het vuur rest enkel as.

Le voglie e l’opre mie

Francesco Petrarca / Orlando di Lasso

vertaling Le voglie e l’opre mie

Dit prachtige sonnet van Petrarca, getoonzet door Orlando di Lasso, is een van de eerste liederen die ik vertaald heb, op basis van een hulpvertaling door iemand die kennis had van oud-italiaans (ik ben helaas haar naam kwijtgeraakt). In het ensemble ‘Changez vos voix’ wilden we een programmaboekje maken voor het concert, met de vertaling van de liederen die we zongen. Voor mij was dit het begin van een uit de hand gelopen hobby, het vertalen van poëzie en liederen.

Le voglie e l’opre mie

Le voglie e l’opre mie, gelate e spente
Preggio non hebber, d’immortale honore
Che priva l’alma in se del tuo favore
d’Acquistar tanto ben non e possente
 
Alsi, sudai, temei, liet’e dolente
Cercai fuggendo in un l’odio e l’amore,
Vollie pregiai quel che credei peggiore
E contrario a mestesso fui souvente
 
Non fu colle o campagna o rivo o fiume
Che non cercasser le mie voglie accorte
Per trovar quel l’ondio m’arda e consume
 
E fatto piu nel mal ardito e forte
Qual, chi nulla te mendo assai presume
Sprezzai quanto di ben m’e dato in sorte

Mijn lust en mijn leven

Mijn zinnen zijn volledig uitgeblust
mijn kille daden vonden geen bekroning
want zonder jouw waardering en beloning
werd mijn ziel niet tot zaligheid gekust
 
ik lachte en ik huilde, was blij en ongerust
joeg haat en liefde beide uit mijn woning
was van het kwaad de ongekroonde koning
en in mijzelve vond ik nimmer rust
 
er was geen heuvel, veld, oever of stroom
die niet bezocht werd door mijn wakk’re zinnen
op zoek naar haar van wie ik enkel droom
 
maar aangetast door ‘t kwaad, en buiten zinnen
-een man die alles opeist zonder schroom-
kon ik wat mij gegeven werd niet innen

Les Djinns

Victor Hugo / Gabriel Fauré

Les Djinns

Murs, ville,
Et port,
Asile
De mort,
Mer grise
Où brise
La brise,
Tout dort.

Dans la plaine
Naît un bruit.
C’est l’haleine
De la nuit.
Elle brame
Comme une âme
Qu’une flamme
Toujours suit !

La voix plus haute
Semble un grelot.
D’un nain qui saute
C’est le galop.
Il fuit, s’élance,
Puis en cadence
Sur un pied danse
Au bout d’un flot.

La rumeur approche.
L’écho la redit.
C’est comme la cloche
D’un couvent maudit ;
Comme un bruit de foule,
Qui tonne et qui roule,
Et tantôt s’écroule,
Et tantôt grandit, 

Dieu ! la voix sépulcrale
Des Djinns !… Quel bruit ils font !
Fuyons sous la spirale
De l’escalier profond.
Déjà s’éteint ma lampe,
Et l’ombre de la rampe,
Qui le long du mur rampe,
Monte jusqu’au plafond.

Cris de l’enfer ! voix qui hurle et qui pleure !
L’horrible essaim, poussé par l’aquilon,
Sans doute, ô ciel ! s’abat sur ma demeure.
Le mur fléchit sous le noir bataillon.
La maison crie et chancelle penchée,
Et l’on dirait que, du sol arrachée,
Ainsi qu’il chasse une feuille séchée,
Le vent la roule avec leur tourbillon !

Prophète ! si ta main me sauve
De ces impurs démons des soirs,
J’irai prosterner mon front chauve
Devant tes sacrés encensoirs !
Fais que sur ces portes fidèles
Meure leur souffle d’étincelles,
Et qu’en vain l’ongle de leurs ailes
Grince et crie à ces vitraux noirs !

De leurs ailes lointaines
Le battement décroît,
Si confus dans les plaines,
Si faible, que l’on croit
Ouïr la sauterelle
Crier d’une voix grêle,
Ou pétiller la grêle
Sur le plomb d’un vieux toit.

Les Djinns funèbres,
Fils du trépas,
Dans les ténèbres
Pressent leurs pas ;
Leur essaim gronde :
Ainsi, profonde,
Murmure une onde
Qu’on ne voit pas.

Ce bruit vague
Qui s’endort,
C’est la vague
Sur le bord ;
C’est la plainte,
Presque éteinte,
D’une sainte
Pour un mort.

On doute
La nuit…
J’écoute : –
Tout fuit,
Tout passe
L’espace
Efface
Le bruit.

De geesten

Muren, stadspoort,
vissersvloot,
toevluchtsoord
van de dood,
zware lucht
het gerucht
op de vlucht.
morgenrood.

Op het land
een jammerklacht.
Het is de adem
van de nacht.
Heel bedeesd
als een geest
bevreesd
voor de jacht!

de sterkste stroom
klinkt als geklop.
Het is de galop
van een springende gnoom.
Hij ontsnapt, grijpt zijn kans,
doet dan in cadans
op één been een dans
op de top van een boom.

Het geluid nadert snel
de echo komt nabij.
Het klinkt als de bel
van een vervloekte abdij;
Als het geluid van een horde,
die donderde en morde
nu eens meer orde,
dan weer razernij.

Mijn God, die bulderende grafgebeden
van de geesten! Wat een reuzenklap!
Laten we vluchten onder de treden
van de diepe trap.
Reeds dooft mijn licht,
de schaduw verdicht,
-de muur raakt uit het zicht-,
en kruipt omhoog tot de kap.

Gekrijs uit de hel! stem die loeit en kermt!
De horrorzwerm, gedreven door ijzige wind,
O hemel, is over mijn huis uitgezwermd.
Het zwarte leger buigt het gebint.
Het huis schreeuwt en wankelt en knakt.
Je zou zeggen, van de grond af beetgepakt,
rondgeblazen en neergekwakt,
als een dor blaadje door de wind!

Profeet! Als jouw hand me redt
van deze donkere duivels op hun oorlogspad,
dan kniel ik blootshoofds in gebed
voor jouw heilig wierookvat!
Maak dat zij voor deze trouwe deuren
hun vonkenstrooiende adem zullen betreuren,
en dat hun scherpe klauwen zullen scheuren
zonder te krabben en krassen in deze dodenstad!

Van hun verre vleugelslag
neemt het klapwieken af op den duur,
verspreidt zich als een rouwbeklag,
verzwakt als een smeulend vuur,
men denkt een sprinkhaan te horen,
het zachtschrille geluid in de oren,
of de regen tot hagel bevroren
op het lood van een heel oude schuur.

De geesten van het graf,
zonen van de dood,
versnellen hun draf
in hun duistere nood;
Hun monsterverbond
dat de diepten terugvond
ruisende bron in de grond
die onzichtbaar ontsproot.

Dit nietige gevaar
wordt gesust
het is een baar
op de kust;
het is een klacht,
nog heel zacht,
een heilige bracht
eeuwige rust.

Gefluister
windstil
luister:
nihil…
alles gaat
inderdaad
ruimte staat
stil.

Le content est riche

Claudin de Sermisy

Le content est riche

Le content est riche en ce monde
Et bien heureux en ce temps cy.
A coeur joyeux liberté monde,
Vivre chez soy, hors de soucy.

Estre amoureux non point transy,
Et a tout deuill clore les yeux.
Toujours gaillars, faictes ainsi
Et vous vivrez cent ans et mieux.

De tevredene is rijk

De tevredene is rijk in deze wereld,
en heel gelukkig in deze tijd,
een blij persoon voelt zich vrij in de wereld
leeft op zichzelf zonder bedroefdheid.

Verliefd zijn en nooit geremd,
de ogen sluiten voor verdriet of zeer,
altijd vrolijk zijn, wie zich zo stemt
leeft zeker honderd jaar of meer.

Le Bestiaire

Guillaume Apollinaire / Francis Poulenc

Het dierenboek of de processie van Orpheus

Le dromadaire

Avec ses quatres dromadaires
Don Pedro d’Alfaroubeira
Courut le monde et l’admira
Il fit ce que je voudrais faire,
Si j’avais quatre dromadaires.

De dromedaris

Met een dromedaris of vier
trok don Pedro d’Alfaroubeira
de wereld rond als avonturier. 
Hij deed het voor, ik deed hem graag na,
had ik maar vier dromedarissen hier.

La chèvre du Tibet

Les poils de cette chèvre et même
ceux d’or pour qui prit tant de peine
Jason, ne valent rien au prix
Des cheveux dont je suis épris.

De Tibetaanse geit

De kostbaarste wol van de kasjmiergeit
en zelfs Jasons gulden vlies
zijn nog lang niet zo exotisch
als mijn liefs lieftalligheid.

La sauterelle

Voici la fine sauterelle
La nourriture de Saint Jean
Puissent mes vers être comme elle
Le régal des meilleures gens.

De sprinkhaan

Ziehier de kostelijke sprinkhaan
die Johannes voedde in woestijngebieden;
konden mijn verzen die toets doorstaan:
een feestmaal te zijn voor betere lieden.

Le dauphin

Dauphins, vous jouez dans le mer
Mais le flot est toujours amer
Parfois ma joie éclate t’elle?
La vie est encore cruelle.

De dolfijn

Dolfijnen, jullie spelen in de zee
maar golven brengen altijd smart.
Komt met plezier soms drama mee?
Het leven is vaak bikkelhard.

L’écrevisse

Incertitude, O! mes delices
Vous et moi nous nous en allons
Comme s’en vont les écrevisses,
À reculons, à reculons.

De rivierkreeft

Onzekerheid, o zaligheden
U en ik wij gaan er tussenuit
Zoals de rivierkreeften voortschreden,
achteruit, achteruit.

Le carpe

Dans vos viviers dans vos etangs
Carpes que vous vivez longtemps!
Est-ce que la mort vous oublie.
Poissons de la melancolie.

De karper

In uw vijvers en uw meren
zult u karpers niet kreperen!
Gaat de dood u soms voorbij?
Vissen van melancholij.

Le paon

En faisant la roue, cet oiseau,
Dont le pennage traîne à terre,
Apparaît encore plus beau,
Mais se découvre le derrière.

De pauw

Hij maakt van zijn staart een waaier,
Daardoor lijkt deze vogel nog fraaier.
Zijn veren slepen meestal over de grond,
Maar nu staat hij in zijn blote kont.

Le chat

Je souhaite dans ma maison:
Une femme ayant sa raison,
Un chat passant parmi les livres,
Des amis en toute saison
Sans lesquels je ne peux pas vivre.

De kat

Weet je wat ik wou:
een verstandige vrouw,
die mij een kat zou geven,
en altijd vrienden die ik vertrouw,
zij houden mij in leven.

La Romanesca

Adolphe Larmande

La Romanesca

Aux échos des bois,
Aux soupirs du feuillage….
Mélez,charmants hautbois,
un doux ramage;
Et par vos accords,
Sur la verte fougère.
Attirez la bergère,
Qu’appelent mes transports.
Mon coeur plein d’elle,
Veut attendrir.
Son coeur rebelle,
Ou bien mourir!
O Madeleine,
Cède aux amours,
Le lierre au chène.
S’unit toujours.
Qu’a ma chanson
Voltigeant en cadence,
Ton pied mignon
Vienne animer la danse;
Et qu’en bondissant,
Ton corsage d’abeille,
D’un trésor naissant
Entr’ouvre la merveille!
Pour le tendre souci….
Qui m ‘entraine,
J’implore ta merci,
O  ma reine!
Et si la danse nous enchaine,
Laisse l’amour nous enchainer aussi!

Liefdeslied

De geluiden uit het woud,
en het zuchten van de blaren,
wil ze, hobo’s zoet, bewaren,
smeed een lied van edelgoud;
Lok met schone harmonieën
naar mijn zachte varenbed,
de herderin die mij bezet,
want zij vult mijn fantasieën.
Mijn hart is helemaal bij haar,
daarom wil ik haar verleiden,
haar weerspannig hart bevrijden,
of sterven als een kluizenaar!
O Maria Magdalena,
neem geliefden bij de hand,
blijf hen ook voor altijd na,
en geef hun een sterke band.
Breng mijn liefdeslied tot leven,
laat het dansen in de maat,
dat uw geest wordt ingegeven,
en uw steun ons nooit verlaat;
en terwijl we ons verbinden
uw zoet lichaam ons verlicht,
ontluikt hier ons droomgezicht,
dat het wonder plaats zal vinden!
Voor het tedere verlangen,
voor mijn gretige verleiding,
smeek ik u om uw genade,
o mijn koningin!
En brengt de dans gemeenschapszin,
maak haar dan mijn liefdesgade!