Suite de Lorca

Federico Garcia Lorca / Einojuhani Rautavaara

Vier gedichten van Federico Garcia Lorca, op muziek gezet door Einojuhani Rautavaara

Malagueña

La muerte
entra y sale
de la taberna.

Van caballos negros               
y gente siniestra                         
por los hondos caminos             
de la guitarra.                             

Y hay un olor a sal                     
y a sangre de hembra                
en los nardos febriles                 
de la marina.                              

La muerte                                     
entra y sale                                
y sale y entra                              
la muerte                                    
de la taberna.

Flamenco-liedje

De dood
komt en gaat
in de taverne.

Er komen zwarte paarden langs
en duistere lieden
op de verborgen wegen
van de guitaar.

En het ruikt naar zout
en naar meisjesbloed
in het koortsende narduskruid
langs de kust.

De dood
komt en gaat
en gaat en komt
de dood
in de taverne.

El Grito

La elipse de un grito 
va de monte                               
a monte.                      

Desde los olivos                         
sera un arco iris negro               
sobre la noche azul.                            

Ay!

Como un arco de viola
el grito ha hecho vibrar              
largas cuerdas del viento.          

Ay!  
                                           
(Las gentes de las cuevas
asoman sus velones)!

Ay!   

De gil

Als een ellips
weerkaatst een gil
tussen de bergen.

Vanuit de olijfbomen
wordt hij een zwarte regenboog
tegen het avondblauw.

Ay!

Als de strijkstok van een viool
deed de gil stembanden trillen
de lange stembanden van de wind.

Ay!

(De grotbewoners steken
hun olielamp naar buiten)

Ay!

Cuando sale la luna

Cuando sale la luna
se pierden las campanas           
y aparecen las sendas
impenetrables.                           
 
Cuando sale la luna                   
el mar cubre la tierra                  
y el corazon se siente                
isla en el infinito.                        
 
Nadie come naranjas                 
bajo la luna llena.                       
Es precioso comer                     
fruta verde y helada.                  
 
Cuando sale la luna                   
de cien rostros iguales,
la moneda de plata                              
solloza en el bolsillo. 

Als de maan opkomt

Als de maan opkomt
verstillen de klokken
en doemen ondoordringbare
paden op.

Als de maan opkomt
bedekt de zee de aarde
en het hart voelt zich
eiland in de oneindigheid.

Men moet geen sinaasappels eten
bij volle maan.
Beter zijn
harde en koude vruchten.

Als de maan opkomt
over honderd eendere gezichten,
hoort men het zilvergeld   
snikken in de beurs.

Cancion de jinete

Cordoba, lejana y sola              
Jaca negra, luna grande,           
y aceintunas en mi alforga.        
Aunque sepa los caminos          
yo nunca llegaré a Cordoba.      

Por el llano, por el viento,          
jaca negra, luna roja.                 
La muerte me esta mirando       
desde las torres de Cordoba.     

!Ay que camino tan largo!          
!Ay mi jaca valerosa!                  
!Ay que la muerte me espera,    
antes de llegar a Cordoba!         

Cordoba, lejana y sola.

Ruiterliedje

Cordoba, ver en verlaten.
Zwart paardje, heldere maan
en olijven in mijn zadeltas.
Hoe goed ik de weg ook ken
nooit zal ik Cordoba bereiken.

Door de vlakte, tegen de wind,
zwart paardje, rode maan.
De dood staart me aan
vanaf de torens van Cordoba.

Ach, de weg is zo lang!
Ach, mijn dappere paardje!
Ach, de dood wacht me op
voordat ik Cordoba bereiken kan!

Cordoba, ver en verlaten.

Sommerlied

Friedrich Rückert / Robert Schumann

Sommerlied

Seinen Traum
Lind’ wob,
Frühling kaum,
Wind schnob,
Seht, wie ist der Blütentraum verweht!

Wie der Hauch
Kalt weht,
Wie der Strauch
Alt steht,
Der so jung gewesen ist vorher!

Ohne Lust
Schlägt Herz,
Und die Brust
Trägt Schmerz;
O wie hob sie sonst sich frei und froh!

Als ich dir
Lieb war,
O wie mir
Trieb klar
Vor dem Blick ein Freudenlenz empor!

Als ich dich
Gehn sah,
Einsam mich
Stehn sah;
O, wie trug’ ichs, daß mein Leben floh!

Wo ist dein
Kranz, Mai?
Wohnt dir kein
Glanz bei,
Wann der Liebe, Sonnenschein zerrann?

Nachtigall,
Schwing dich,
Laut mit Schall
Bring mich
Ab, hinab, zur Ros’ hinab ins Grab!

Zomerlied

Zijn droom
kwam niet uit,
nieuwe lente,
oud geluid;
hoor, hoe ging de liefdesdroom teloor!

Als de wind
zo koud,
als een boeket
droog en oud,
hij, zijn jeugd was plots voorbij!

Harteklop
zonder lust,
vrolijkheid
uitgeblust;
hij was altijd zo vrij en blij!

Toen jij hield
van mij,
o wat was
ik blij;
Ik zag het leven met een zonnige blik!

Toen ik jou
zag gaan,
en ik eenzaam
bleef staan;
Ach, ik zag mijn laatste dag!

Mei zonder
bloemenkrans?
waar ging de
voorjaarsglans
heen, toen de zon van de liefde verdween?

Nachtegaal,
vlieg jij
met kabaal,
leg mij
af, naast de roos in ‘t graf!

Six chansons

Rainer Maria Rilke / Paul Hindemith

Zes gedichten van Rainer Maria Rilke op muziek van Paul Hindemith

La biche

Ô, la biche; quel bel intérieur 
d’anciennes forêts dans tes yeux abonde; 
combien de confiance ronde 
mêlée à combien de peur. 

Tout cela, porté par la vive 
gracilité de tes bonds. 
Mais jamais rien n’arrive 
à cette impossessive 
ignorance de ton front.

De hinde

O hinde; eindeloos ontvouwen
zich prachtige oude bossen in jouw blik;
hoeveel oprecht vertrouwen
gemengd met hoeveel schrik.

Dat alles levendig gedragen
door de rankheid van je sprongen licht.
Maar niets zal ooit verjagen
de argeloosheid zonder vragen
in je gezicht.

Un Cygne

Un cygne avance sur l’eau 
tout entouré de lui-même, 
comme un glissant tableau; 
ainsi à certains instants 
un être que l’on aime 
est tout un espace mouvant. 

Il se rapproche, doublé, 
comme ce cygne qui nage, 
sur notre âme troublée… 
qui à cet être ajoute 
la tremblant image 
de bonheur et de doute. 

Een zwaan

Een zwaan komt op het water naderbij
geheel in zichzelf gehuld,
als een glijdend schilderij;
zo is op zeker moment in de tijd
een wezen dat ons vervult
een en al bewegende ruimtelijkheid.

Hij nadert, in dubbelbeeld,
als de dichter die in ons bezorgde hart verblijft,
met beelden speelt…
die aan dit wezen in dubbeldruk
het rimpelende beeld toeschrijft
van twijfel en van geluk.

Puisque tout passe

Puisque tout passe, faisons 
la mélodie passagère; 
celle qui nous désaltère, 
aura de nous raison. 

Chantons ce qui nous quitte 
avec amour et art; 
soyons plus vite 
que le rapide départ.

Alles gaat toch voorbij

Daar alles voorbij gaat, rest 
ons de vluchtige melodielijn;
het lied dat onze dorst lest,
zal onze inzet zijn.
 
Laten we bezingen wat ons verlaat
met passie en meesterschap;
en we zingen het heel rap,
sneller dan het afscheid gaat.

Printemps

Ô mélodie de la sève 
qui dans les instruments 
de tous ces arbres s’élève –, 
accompagne le chant 
de notre voix trop brève. 

C’est pendant quelques mesures 
seulement que nous suivons 
les multiples figures 
de ton long abandon, 
ô abondante nature. 

Quand il faudra nous taire, 
d’autres continueront… 
Mais à présent comment faire 
pour te rendre mon 
grand cœur complémentaire?

Lente

O melodie van het levenssap
die aan de instrumenten
uit al deze bomen ontsnapt,
begeleid in deze lente
het korte lied van ons gezelschap.

Slechts voor de duur
van enkele maten volgen wij
de fantasierijke figuur
van jouw spel lang en vrij
o overvloedige natuur.

Als wij stilhouden,
zullen anderen doorgaan…
Maar hoe zou ik in deze wouden
mijn hartstocht voortaan 
nog kunnen achterhouden?

En hiver

En hiver, la mort meurtrière
entre dans les maisons; 
elle cherche la sœur, le père, 
et leur joue du violon. 

Mais quand la terre remue 
sous la bêche du printemps, 
la mort court dans les rues 
et salue les passants.

In de winter

In de winter komt de moordende dood nader 
de huizen worden door zijn komst verrast;
hij zoekt de dochter en de vader,
voor wie hij zijn viool bekrast.
 
Maar als de aarde tot leven komt
onder de spade van het voorjaar,
rent de dood door de straten, vermomd  
en groet iedere voorbijganger zowaar.

Verger

Jamais la terre n’est plus réelle 
que dans tes branches, ô verger blond, 
ni plus flottante que dans la dentelle 
que font tes ombres sur le gazon. 

Là se rencontre ce qui nous reste, 
ce qui pèse et ce qui nourrit 
avec le passage manifeste 
de la tendresse infinie. 

Mais à ton centre, la calme fontaine, 
presque dormant en son ancien rond, 
de ce contraste parle à peine, 
tant en elle il se confond.

Boomgaard

Nooit was de bodem vaster land   
dan in de takken van jouw boom
noch frivoler dan het kant
van je schaduw in de graszoom 
 
Daar vinden we terug wat overblijft,
wat ons zwaar valt, wat ons voedt,
oneindig teder ingelijfd
in onze herinnering zoet. 
 
En de fontein die in jouw midden fluistert,
slaperig in zijn oude bassin,  
naar deze contrasten slechts luistert,
en samenvalt met het schaduwdessin.

Si dolce è il tormento

Carlo Milanuzzi / Claudio Monteverdi

Dit lied staat al heel lang hoog op mijn verlanglijstje vanwege de prachtige melodie. De tekst voegt daar nog extra lading aan toe.

Si dolce è il tormento

Sì dolce è il tormento
che in seno mi sta
ch’io vivo contento
per cruda beltà…
nel ciel di bellezza
s’accreschi fierezza
et manchi pietà
che sempre qual scoglio
all’onda d’orgoglio
mia fede sarà…

La speme fallace
rivolgami il piè
diletto né pace
non scendano a me
e l’empia ch’adoro
mi nieghi ristoro
di buona mercè
tra doglia infinita,
tra speme tradita
vivrà la mia fe’…

Per foco e per gelo
riposo non ho
nel porto del Cielo
riposo haverò…
se colpo mortale
con rigido strale
il cor m’impiagò
cangiando mia sorte
col dardo di morte
il cor sanerò…

Se fiamma d’amore
già mai non sentì
quel riggido core
ch’il cor mi rapì
se nega pietate
la cruda beltate
che l’alma invaghì
ben fia che dolente
pentita e languente
sospirimi un dì…

Zo zoet is de kwelling

Zo zoet is de kwelling
die woelt in mijn hart
dat ik mijn geluk vind
in schoonheid zo hard…
haar hemelse schoonheid
vermeerdert de fierheid
waar meelij verhardt
dat steeds als een rots
in golven van trots
mijn trouw toch volhardt…  

Laat me voorkomen
dat ooit valse dromen
en vreugde of vrede
over mij komen
Laat mijn verdorven lief
volledig mijn gerief
maar dwarsbomen  
in oneindig leed,
in de bedrogen eed
zal mijn trouw bovenkomen…

In vuur en ijs
vind ik geen rust
eerst in de Hemel
wordt mijn onrust gesust…
door een harde bijl
of een liefdespijl
werd mijn hart uitgeblust
de pijl van de dood
stilt dan mijn nood
en brengt mijn hart tot rust…

Zoals haar koude hart
mij zo kon vangen
maar zij nooit het liefdesvuur
mocht ontvangen
zoals de harde schoonheid
die mijn ziel heeft verleid
mij houdt krijgsgevangen
laat haar zo vol strijd
en met smachtende spijt
ooit naar mij verlangen…

Sestina ‘Lagrime d’amante al sepolcro dell’amata’

Scipione Agnelli / Claudio Monteverdi

Lagrime d’Amante al Sepolcro dell’ Amata

De vertaling van Sestina ‘Lagrime d’amante al sepolcro dell’amata’ van Monteverdi

Zo niet het hoogtepunt dan toch een parel in de madrigaalkunst is de zesdelige madrigaalcyclus ‘Sestina’ van Claudio Monteverdi. De titel van het werk is ‘Lagrime d’amante al sepolcro dell’amata’: de tranen van de minnaar aan het graf van zijn beminde. Mooie uitvoeringen zijn te horen op youtube, bijvoorbeeld https://www.youtube.com/watch?v=Bq2gC9-ILFA.

Zo bijzonder de muziek, zo apart is ook de tekst, maar op een andere manier. Het woord Sestina heeft betrekking op de dichtvorm, een sestina is een gedicht van 39 regels (6×6 + 3), met zeer strikte vormeisen. De zes laatste woorden van elke regel van het eerste couplet hoeven niet onderling te rijmen, maar zijn ook het laatste woord van elke regel in de volgende coupletten. Bovendien moeten ze alle zes in het laatste couplet van drie regels ook elk éénmaal voorkomen. Een uitgebreide toelichting vindt u op https://www.poets.org/poetsorg/text/poetic-form-sestina

Door deze strenge vorm ontstaat een tekst, die knap gemaakt maar poëtisch misschien minder briljant is. Het gedicht leent zich echter uitstekend voor een prachtige muzikale uitwerking. Scipione Agnelli heeft dit gedicht speciaal voor Monteverdi gecomponeerd, na de dood van zijn achttienjarige leerlinge Caterina Martinelli.
Hij gebruikt op de zes regels van elke strofe de volgende eindwoorden:

tomba (graf, tombe, grafkelder);
cielo (hemel, lucht, gewelf);
terra (aarde, wereld, grond, bodem, land);
seno (borst, hart, gemoed, schoot);
pianto (geween, gehuil, tranen)
Glauco (de naam van de minnaar, die verwijst naar een zeegod uit de griekse mythologie).

Agnelli gebruikt dus twee eindklinkers (o en a) en mannelijk rijm voor zijn eindwoorden. Dat is in een Nederlandse vertaling niet allemaal te handhaven. Met een beetje keuzevrijheid ontstaat de vertaling hieronder.

Sestina

I
Incenerite spoglie, avara tomba
Fatta del mio bel Sol, terreno Cielo
Ahi lasso! I’ vegno ad inchinarvi in terra
Con voi chius’è ‘l mio cor a marmi in seno
E notte e giorno vive in foco, in pianto
In duolo, in ira, il tormentato Glauco

II
Ditelo, O fiumi, e voi ch’udiste Glauco
L’aria ferir dì grida in su la tomba
Erme campagne – e’l san le Ninfe e ‘l Cielo:
A me fu cibo il duol, bevanda il pianto
– Letto, O sasso felice, il tuo bel seno –
Poi ch’il mio ben coprì gelida terra

III
Darà la notte il sol lume alla terra
Splenderà Cintia il di, prima chе Glauco
Di baciar, d’honorar lasci quel seno
Che fu nido d’Amor, chе dura tomba
Preme; né sol d’alti sospir, di pianto
Prodighe a lui saran le sfere e ‘l Cielo!

IV
Ma te raccoglie, O Ninfa, in grembo ‘l Cielo
Io per te miro vedova la terra
Deserti i boschi e correr fium’il pianto
E Driade e Napee del mesto Glauco
Ridicono i lamenti, e su la tomba
Cantano i pregi dell’amante seno

V
O chiome d’or, neve gentil del seno
O gigli della man, ch’invido il cielo
Ne rapì, quando chiuse in cieca tomba
Chi vi nasconde? Ohimè! Povera terra
Il fior d’ogni bellezza, il Sol di Glauco
Nasconde! Ah! Muse! Qui sgorgate il pianto!

VI
Dunque, amate reliquie, un mar di pianto
Non daran questi lumi al nobil seno
D’un freddo sasso? Eco! L’afflitto Glauco
Fa rissonar »Corinna«: il mare e ‘l Cielo
Dicano i venti ogn’or, dica la terra
»Ahi Corinna! Ahi Morte! Ahi tomba!«

Cedano al pianto
I detti! Amato seno
A te dia pace il Cielo
Pace a te, Glauco
Prega, honorato tomba
E sacra terra

Sestina

I
Verbrande resten, gierige grafsteen,
dat is wat blijft van mijn mooie zon, mijn aardse hemel,
Ach, helaas, ik kom u neerleggen in de grond!
mijn hart is met u opgesloten in uw marmeren schoot.
en dag en nacht leeft hij in in vuur, in geween,
in smart, in woede, de gefolterde Glaucus. 

II
Vertel, o rivieren, en jullie, die aanhoren hoe Glaucus
de lucht doorklieft met jammerkreten op de steen
doodse velden, en de nymphen en de hemel
weten het: smart is mijn voedsel, ik drink het geween,
-o gelukkige steen, jij bent het bed voor haar schoot-
sinds mijn liefste wordt bedekt door ijskoude grond,
  

III
Eerder zal de zon ’s nachts schijnen op de grond
en de maan overdag, dan dat Glaucus
stopt met kussen en eer bewijzen aan deze schoot,
het nest van zijn liefde, nu bedekt door de harde steen;
Mogen de wilde dieren en de hemel
hem meer schenken dan geweeklaag en geween.

IV
Maar ontvang haar, o nimf, in de schoot van de hemel.
ik zie naar jou want een weduwe werd de grond,
de bossen zijn verlaten, overal is geween.
boomnimfen en bosnimfen herhalen met Glaucus
zijn verdriet en zijn jammerklachten, en op de grafsteen
zingen zij de lofzang voor de geliefde schoot.

V
O gouden haardos, lieflijke sneeuw van haar schoot,
o lelies van haar hand, die de jaloerse hemel
heeft geroofd, nu ze is opgesloten onder de blinde steen,
wie verstoppen jullie? O wee! Arme grond!
Verberg je de schone bloem, de zon van Glaucus?   
Ach, muzen, hier is alleen maar geween.

VI
Welnu, beminde resten, zal zoveel geween
van mijn ogen neerstorten op de edele schoot
van een koude steen? Echo, ziedaar de gekwelde Glaucus,
die schreeuwt om Corinna tegen de zee en de hemel!
Laat de winden ieder uur roepen, en laat roepen de grond,
Ach Corinna! Ach dood! Ach grafsteen!

Laat woorden wijken voor geween,
geliefde schoot;
aan jou geve de hemel vrede.
Voor jou smeekt Glaucus
om vrede, een geëerde grafsteen
en heilige grond.

Se l’aura spira

Girolamo Frescobaldi

Se l’aura spira

Se l’aura spira tutta vezzosa,
la fresca rosa ridente sta,
la siepe ombrosa di bei smeraldi
d’estivi caldi timor non ha.
A balli, a balli, liete venite,
ninfe gradite, fior di beltà.
 
Or, che sì chiaro il vago fonte
dall’alto monte al mar sen’ va.
Suoi dolci versi spiega l’augello,
e l’arboscello fiorito sta.
Un volto bello al l’ombra accanto
sol si dia vanto d’haver pieta.
Al canto, al canto, ninfe ridenti,
Scacciate i venti di crudelta.

Als de wind waait

Als de wind heel charmant waait,
blijven de frisse rozen lachen,
en de mooie smaragdgroene schaduwrijke haag
heeft geen last van de zomerse hitte.
Komt vrolijk naar het bal, naar het bal,
welgevallige nimfen, bloemen van schoonheid.
 
Vandaag stroomt de heldere lieflijke beek
van de hoge bergen naar de zee.
De vogels zingen uit volle borst,
en het struikgewas staat in bloei.
Laat de mooie mensen die hierheen komen
medelijden hebben met hun volgers.
Zing, zing, lachende nimfen,
verjaag de winden van onbarmhartigheid.

Sebben, crudele

Antonio Caldara

Sebben, crudele

Sebben, crudele
Mi fai languir,
Sempre fedele
Ti voglio amar.
 
Con la lunghezza
Del mio server
La tua fierezza
Saprò stancar.

Hoe hardvochtig

Hoe hardvochtig
doe je mij smachten,
toch zal mijn liefde
altijd trouw op je wachten.

Eindeloos gedienstig
wil ik je beminnen
zo zal ik uiteindelijk
je trots overwinnen.

Om in vertaling te zingen:

Hoe wreed laat jij me steeds
smachten naar jou,
toch wil ik voor altijd (2x)
houden van jou.

Altijd vasthoudend
speel ik het spel,
op den duur win ik (2x)
jouw liefde wel.

Requiem

Christian Friedrich Hebbel / Peter Cornelius

Dit requiem is op deze site opgenomen vanwege zijn bijzondere tekst. Dit Requiem is gecomponeerd in 1863, in de Weense jaren van Cornelius (1859-1865), waar hij ook bevriend was geraakt met CF Hebbel, die in 1863 overleed.

Requiem

Seele, vergiß sie nicht,
Seele, vergiß nicht die Toten!
Sieh’ sie umschweben dich,
schauernd verlassen,
und in den heiligen Gluten,
die den Armen die Liebe schürt,
atmen sie auf und erwarmen
und genießen zum letzten Mal
ihr verglimmendes Leben.

Und wenn du dich ihnen verschließest,
so erstarren sie bis hinein in das Tiefste.
Dann ergreift sie der Sturm der Nacht,
dem sie zusammengekrampft
in sich trotzten im Schoß der Liebe.
Und er jagt sie mit Ungestüm
durch die endlose Wüste hin,
wo nicht Leben mehr ist,
nur Kampf losgelassener Kräfte
um erneuertes Sein.

Requiem

Ziel, vergeet ze niet,
ziel, vergeet de gestorvenen niet!
Kijk, ze zweven om je heen,
huiverend van verlatenheid,
en in het heilige vuur,
dat de liefde aanwakkert bij de armen,
ademen ze en worden ze warm
en genieten ze voor de laatste keer
van hun uitdovend leven.

En als je je voor hen afsluit,
dan bevriezen ze tot op het bot.
Dan grijpt hen de storm van de nacht,
die ze ineengekrompen
trotseerden in de schoot van de liefde.
En hij jaagt hen op, onstuimig,
dwars door de eindeloze woestijn,
waar geen leven meer is,
slechts de strijd van vrijgelaten krachten,
om een vernieuwd bestaan.

Quatrains Valaisans

Rainer Maria Rilke / Darius Milhaud

Vijf kwatrijnen over het Wallis-gebergte, gedichten van Rainer Maria Rilke, getoonzet door Darius Milhaud

Pays, arrêté à mi-chemin

Pays, arrêté à mi-chemin 
entre la terre et les cieux, 
aux voies d’eau et d’airain, 
doux et dur, jeune et vieux, 

comme une offrande levée 
vers d’accueillantes mains: 
beau pays achevé, 
chaud comme le pain!

Land dat halverwege stopt

Land dat halverwege plots 
tussen hemel en aarde ophoudt,
met wegen van water en rots, 
zacht en hard, jong en oud, 

als een offer aangeboden 
aan een ontvangende hand, 
warm als verse broden:
dat mooie, volmaakte land! 

Rose de lumière

Rose de lumière, un mur qui s’effrite -, 
mais, sur la pente de la colline, 
cette fleur qui, haute, hésite 
dans son geste de Proserpine. 

Beaucoup d’ombre entre sans doute 
dans la sève de cette vigne; 
et ce trop de clarté qui trépigne 
au-dessus d’elle, trompe la route. 

Roos van licht

Roos van licht, een muur verweert,
maar boven, met de glooiing mee
deze bloem die, aarzelend, terugkeert
in de beweging van Persephone.

Veel schaduw valt hier zonder meer  
over het sap van deze wijngaard; 
verblindend licht roffelt op haar
ranken, verbergt het pad keer op keer.

L’année tourne …

L’année tourne autour du pivot 
de la constance paysanne; 
la Vierge et Sainte Anne 
disent chacune leur mot. 

D’autres paroles s’ajoutent 
plus anciennes encor, — 
elles bénissent toutes, 
et de la terre sort 

cette verdure soumise 
qui, par un long effort, 
donne la grappe prise 
entre nous et les morts.

Het jaar draait…

Het jaar draait hier nog heel bedaagd
om ’t ritme van het boerenland;
St. Anna en de Moedermaagd
hun voorspraak sterkt de hechte band.

Andere stemmen sluiten aan  
met een nog ouder geluid, 
zij zegenen heel het bestaan, 
en uit de aarde ontspruit 

dat groene begin van leven 
dat, door alle kracht te geven,
de tros voortbrengt, zo bemind,    
die ons met de doden verbindt.

Chemins

Chemins qui ne mènent nulle part 
entre deux prés, 
que l’on dirait avec art 
de leur but détournés, 

chemins qui souvent n’ont 
devant eux rien d’autre en face 
que le pur espace 
et la saison. 

Wegen

Wegen die nergens heen gaan, 
tussen twee alpenweiden, 
je zou zeggen: kunstig gedaan 
om zo hun doel te vermijden; 

die wegen, je kunt er bijna van op aan
dat ze hier alleen zijn neergevlijd
voor de zuivere ruimtelijkheid 
en ’t jaargetijde. 

Beau papillon …

Beau papillon près du sol, 
à l’attentive nature
montrant les enluminures 
de son livre de vol. 

Un autre se ferme au bord 
de la fleur qu’on respire –: 
ce n’est pas le moment de lire. 
Et tant d’autres encor, 

de menus bleus, s’éparpillent, 
flottants et voletants, 
comme de bleues brindilles 
d’une lettre d’amour au vent, 

d’une lettre déchirée 
qu’on était en train de faire 
pendant que la destinataire 
hésitait à l’entrée.

Mooie vlinder …

Een mooie vlinder vertoont bij de grond 
voor de aandachtige natuur
de verluchte vrije kuur
die in zijn balboekje stond.

Een ander strijkt neer op de rand
van een geurige bloemknop:
je legt je boek aan de kant. 
En vele anderen vallen nu op,

kleine blauwtjes zweven verstrooid,
vlinderen fladderend als een kind,
als blauwe snippers in de wind
van een liefdesbrief onvoltooid,

een brief die je snel moest verscheuren  
omdat, toen je net zat te schrijven,
de geliefde verscheen aan de deur, en   
aarzelde of ze zou blijven.

Pavane

Robert de Montesquiou / Gabriel Fauré

Pavane

Femmes
C’est Lindor! c’est Tircis!
c’est tous nos vainqueurs!
Hommes
C’est Myrtil! c’est Lydé!
les reines de nos cœurs !
Femmes
Comme ils sont provocants,
comme ils sont fiers toujours!
Tous
Comme on ose régner
sur nos sorts et nos jours!
Hommes
Faites attention!
Observez la mesure!
Femmes
Ô la mortelle injure!
Hommes
La cadence est moins lente!
Et la chute plus sûre!
Femmes
Nous rabattrons bien leurs caquets!
Hommes
Nous serons bientôt leurs laquais
Femmes (Hommes)
Qu’ils sont laids! (Chers minois!)
Qu’ils sont fols! (Airs coquets!)
Hommes
Et c’est toujours de même!
Et c’est ainsi toujours!
Tous
On s’adore! on se hait!
on maudit ses amours!
Hommes
Adieu Myrtil! Églé! Chloé!
Demons moqueurs!
Femmes
Adieu donc et bons jours
aux tyrans de nos cœurs!
Tous
Et bons jours!

Pavane

Vrouwen
Kijk, daar is Lindor! Daar is Tircis!
Onze grote veroveraars!
Mannen
Kijk Myrtil! En Lydia!
Onze hartedieven!
Vrouwen
Kijk hoe ze ons uitdagen,
Met hun eeuwige trots! 
Allen
Hoe durven ze over ons lot en
onze dagen te beschikken!
Mannen
Dames, opletten!
Blijf in de maat!
Vrouwen
Wat een dodelijke belediging!
Mannen
Het ritme is vlugger!
Ze zullen zeker voor ons vallen!
Vrouwen
We krijgen ze wel stil!
Mannen
We zullen snel hun slaven zijn!
Vrouwen (Mannen)
Wat zijn ze lelijk! (Aardige lief gezichtje)
Wat een stumpers! (En zo koket!)
Mannen
Altijd hetzelfde liedje!
Zal altijd zo blijven!
Allen
We houden van elkaar, we haten elkaar!
We verwensen onze geliefden!
Mannen
Vaarwel, Myrtil, Eglé, Chloé,
Jullie spottende duivelskinderen!
Vrouwen
Vaarwel dan, en tot ziens
Onze kwelgeesten!
Allen
Tot ziens!