Beau papillon …

Rainer Maria Rilke / Darius Milhaud

Beau papillon près du sol, 
à l’attentive nature
montrant les enluminures 
de son livre de vol. 

Un autre se ferme au bord 
de la fleur qu’on respire –: 
ce n’est pas le moment de lire. 
Et tant d’autres encor, 

de menus bleus, s’éparpillent, 
flottants et voletants, 
comme de bleues brindilles 
d’une lettre d’amour au vent, 

d’une lettre déchirée 
qu’on était en train de faire 
pendant que la destinataire 
hésitait à l’entrée.

Een mooie vlinder vertoont bij de grond 
voor de aandachtige natuur
de verluchte vrije kuur
die in zijn balboekje stond.

Een ander strijkt neer op de rand
van een geurige bloemknop:
je legt je boek aan de kant. 
En vele anderen vallen nu op,

kleine blauwtjes zweven verstrooid,
vlinderen fladderend als een kind,
als blauwe snippers in de wind
van een liefdesbrief onvoltooid,

een brief die je snel moest verscheuren  
omdat, toen je net zat te schrijven,
de geliefde verscheen aan de deur, en   
aarzelde of ze zou blijven.

Chemins

Rainer Maria Rilke / Darius Milhaud

Chemins qui ne mènent nulle part 
entre deux prés, 
que l’on dirait avec art 
de leur but détournés, 

chemins qui souvent n’ont 
devant eux rien d’autre en face 
que le pur espace 
et la saison. 

Wegen die nergens heen gaan, 
tussen twee alpenweiden, 
je zou zeggen: kunstig gedaan 
om zo hun doel te vermijden; 

die wegen, je kunt er bijna van op aan
dat ze hier alleen zijn neergevlijd
voor de zuivere ruimtelijkheid 
en ’t jaargetijde. 

L’année tourne …

Rainer Maria Rilke / Darius Milhaud

L’année tourne autour du pivot 
de la constance paysanne; 
la Vierge et Sainte Anne 
disent chacune leur mot. 

D’autres paroles s’ajoutent 
plus anciennes encor, — 
elles bénissent toutes, 
et de la terre sort 

cette verdure soumise 
qui, par un long effort, 
donne la grappe prise 
entre nous et les morts.

Het jaar draait hier nog heel bedaagd
om ’t ritme van het boerenland;
St. Anna en de Moedermaagd
hun voorspraak sterkt de hechte band.

Andere stemmen sluiten aan  
met een nog ouder geluid, 
zij zegenen heel het bestaan, 
en uit de aarde ontspruit 

dat groene begin van leven 
dat, door alle kracht te geven,
de tros voortbrengt, zo bemind,    
die ons met de doden verbindt.

Rose de lumière

Rainer Maria Rilke / Darius Milhaud

Rose de lumière, un mur qui s’effrite -, 
mais, sur la pente de la colline, 
cette fleur qui, haute, hésite 
dans son geste de Proserpine. 

Beaucoup d’ombre entre sans doute 
dans la sève de cette vigne; 
et ce trop de clarté qui trépigne 
au-dessus d’elle, trompe la route. 

Roos van licht, een muur verweert,
maar boven, met de glooiing mee
deze bloem die, aarzelend, terugkeert
in de beweging van Persephone.

Veel schaduw valt hier zonder meer  
over het sap van deze wijngaard; 
verblindend licht roffelt op haar
ranken, verbergt het pad keer op keer.

Pays, arrêté à mi-chemin

Rainer Maria Rilke / Darius Milhaud

Pays, arrêté à mi-chemin 
entre la terre et les cieux, 
aux voies d’eau et d’airain, 
doux et dur, jeune et vieux, 

comme une offrande levée 
vers d’accueillantes mains: 
beau pays achevé, 
chaud comme le pain!

Land dat halverwege plots 
tussen hemel en aarde ophoudt,
met wegen van water en rots, 
zacht en hard, jong en oud, 

als een offer aangeboden 
aan een ontvangende hand, 
warm als verse broden:
dat mooie, volmaakte land! 

Dejection

Robert Bridges / Gerald Finzi

Wherefore to-night so full of care,
My soul, revolving hopeless strife,
Pointing at hindrance, and the bare
Painful escapes of fitful life? 

Shaping the doom that may befall
By precedent of terror past:
By love dishonoured, and the call
Of friendship slighted at the last? 

By treasured names, the little store
That memory out of wreck could save
Of loving hearts, that gone before
Call their old comrade to the grave? 

O soul, be patient: thou shalt find
A little matter mend all this;
Some strain of music to thy mind,
Some praise for skill not spent amiss. 

Again shall pleasure overflow
Thy cup with sweetness, thou shalt taste
Nothing but sweetness, and shalt grow
Half sad for sweetness run to waste. 

O happy life! I hear thee sing,
O rare delight of mortal stuff!
I praise my days for all they bring,
Yet are they only not enough.

Waarom, mijn gemoed, zo onrustig vannacht,
verwikkeld in een hopeloze strijd,
gefocust op hinder en tegenkracht, 
en de pijnlijk ontlopen onbestendigheid? 

Het onheil scheppend dat me overkomt
voorspeld door schand uit het verleden:
versmade liefde, en de roep verstomd
van vriendschap met voeten getreden? 

Door dierbare namen, de enkelingen
die de herinnering van de ondergang prijsgaf,
geliefden die al eerder gingen
roepen hun oude kameraad naar ’t graf? 

Ach mijn gemoed, geduld: het zijn
de kleine dingen die dit alles helen;
een melodietje nog zo klein,
een compliment dat men zal delen. 

Dan zal geluk weer overstromen
uw zoete lot, en u zult smaken
niets dan zoetheid, u zult schromen
voor zoetigheden die verloren raken. 

O heerlijk leven! Ik hoor u zingen,
o zeldzaam geluk van sterfelijkheid!
Ik prijs mijn dagen voor alle dingen,
al is er nooit voldoende tijd.

Song

Robert Bridges / Gerald Finzi

Haste on, my joys! your treasure lies
In swift, unceasing flight.
O haste: for while your beauty flies
I seize your full delight. 

Lo! I have seen the scented flower,
Whose tender stems I cull,
For her brief date and meted hour
Appear more beautiful. 

O youth, O strength, O most divine
For that so short ye prove;
Were but your rare gifts longer mine,
Ye scarce would win my love. 

Nay, life itself the heart would spurn,
Did once the days restore
The days, that once enjoyed return,
Return, ah! nevermore.

Maak voort, mijn geluk! Jouw schat bestaat
in snelle, onafgebroken vlucht.
Maak haast: want waar uw schoonheid vergaat
pluk ik de volle vrucht. 

Kijk! Ik zag de geurende bloem,
wier tedere stengel ik pluk,
want haar korte duur en bemeten roem
verhogen mijn geluk. 

O godgegeven jeugd, o kracht,
gij blijft zo kort bestaan;
uw zeldzame gaven nog langer gebracht,
mijn liefde zou vergaan. 

Nee, het leven zelf gaf het hart terug,
als de dagen niet zouden verteren,
de fijne dagen achter de rug
zullen nooit meer wederkeren.

Nightingales

Robert Bridges / Gerald Finzi

BEAUTIFUL must be the mountains whence ye come,
And bright in the fruitful valleys the streams, wherefrom
Ye learn your song:
Where are those starry woods? O might I wander there,
Among the flowers, which in that heavenly air
Bloom the year long!

Nay, barren are those mountains and spent the streams:
Our song is the voice of desire, that haunts our dreams,
A throe of the heart.
Whose pining visions dim, forbidden hopes profound,
No dying cadence nor long sigh can sound,
For all our art.

Alone, aloud in the raptured ear of men
We pour our dark nocturnal secret: and then,
As night is withdrawn
From these sweet-springing meads and bursting boughs of May,
Dream, while the innumerable choir of day
Welcome the dawn.

PRACHTIG moeten de bergen zijn, vanwaar u komt, 
en helder de beken in groene valleien, alwaar 
uw lied ontstond.
Waar zijn die schitterende wouden? O mocht ik dwalen,
tussen de bloemen, die in de hemelse dalen
bloeien het hele jaar rond!

Nee, kaal zijn die bergen en droog staan de stromen:
ons lied is het lied van verlangen, dat spookt in onze dromen,
een hartepijn,
omdat kwijnende dromen vervagen, verboden verlangens verdrinken,
geen stembuiging noch lange zucht kan klinken,
hoe kunstig wij ook zijn.

Alleen, hoorbaar voor verrukte mensenoren
laten we ons nachtelijk geheim horen;
en als de nacht verstomt
droom dan van zoete honingdrank en meibloesem bij toverslag,
terwijl het duizendkoppig koor van de nieuwe dag
de dageraad verwelkomt.

Elegy

Robert Bridges / Gerald Finzi

Clear and gentle stream!
Known and loved so long
That hast heard the song,
And the idle dream
Of my boyish day;
While I once again
Down thy margin stray.
In the selfsame strain
Still my voice is spent
With my old lament
And my idle dream.
Clear and gentle stream!

Where my old seat was
Here again I sit.
Where the long boughs knit
Over stream and grass
A translucent eaves:
Where back eddies play
Shipwreck with the leaves,
And the proud swans stray,
Sailing one by one
Out of stream and sun,
And the fish lie cool
In their chosen pool.

Many an afternoon
Of the summer day
Dreaming here I lay;
And I know how soon,
Idly at its hour,
First the deep bell hums
From the minster tower,
And then evening comes,
Creeping up the glade,
With her lengthening shade,
And the tardy boon
Of her brightening moon.

Clear and gentle stream!
Ere again I go
Where thou dost not flow,
Well does it beseem
Thee to hear again
Once my youthful song,
That familiar strain
Silent now so long:
Be as I content
With my old lament
And my idle dream,
Clear and gentle stream.

Helder kalme stroom,
immer bekend en bemind
gij hoorde het lied van het kind
en de ijdele droom
van mijn jongensdagen;
nu ik opnieuw kom klagen,
langs uw oever vlied.
In hetzelfde lied
vindt nog mijn stem de kracht
voor mijn oude klacht
en mijn ijdele droom,
helder kalme stroom!

Waar mijn oude plekje was
zit ik weer hoog en droog.
Waar de dichte takkenboog 
weeft boven stroom en gras
een doorschijnend bladerdak:
kolken op het watervlak
spelen schipbreuk met de blaren
en de trotse zwanen varen
zeilen een voor een op rij
de stroom en de zon voorbij,
en de vissen liggen koel
In hun uitverkoren poel

Zo menig middaguur
van een zomerdag
dat ik dromend lag;
en waar op dit uur,
wie zal het hier horen,
eerst de zware klok galmt
van de kloostertoren,
en de avond talmt,
besluipt de open plekken
met zijn lange schaduwbaan,
en het weldadig trage wekken
van de heldere maan.

Helder kalme stroom,
voordat ik u verlaat 
naar waar gij niet gaat,
zing ik zonder schroom
voor u nog eenmaal
mijn zo jeugdig lied
dat vertrouwd verhaal
klonk zo lang al niet:
wees als ik tevreen
met mijn oud geween
en mijn ijdele droom,
helder kalme stroom.

My spirit sang all day

Robert Bridges / Gerald Finzi

My spirit sang all day
O my joy.
Nothing my tongue could say,
Only my joy!

My heart an echo caught-
O my joy-
And spake, Tell me thy thought,
Hide not thy joy.

My eyes gan peer around,-
O my joy-
What beauty hast thou found?
Shew us thy joy.

My jealous ears grew whist;-
O my joy-
Music from heaven is’t,
Sent for our joy?

She also came and heard;
my joy
What, said she, is this word?
What is thy joy?

And I replied, O see,
my joy,
‘Tis thee, i cried, ’tis thee:
Thou art my joy.

Mijn hart zong de hele dag
o mijn geluk.
mijn tong maakte geen gewag,
alleen mijn geluk!

Mijn hart ving een echo op-
o mijn geluk-
en sprak, wat denk je, zeg op,
verberg niet je geluk.

Mijn ogen keken rond,-
o mijn geluk-
wat schoonheid die gij vond?
Toon ons je geluk.

Mijn oren floten van jalouzie;-
o mijn geluk-
hemelse melodie,
voor ons geluk gezonden?

Ook zij kwam, en kreeg in ’t vizier
mijn geluk,
ze zei, wat hoor ik hier?
Wat is jouw geluk?

En ik antwoordde, kijk naar mij,
mijn geluk,
jij bent het, riep ik, jij, ja jij: 
jij bent mijn geluk.