For the beauty of the earth

Folliott S. Pierpoint / Philip WJ Stopford

For the beauty of the earth

For the beauty of the earth
For the glory of the skies,
For the love which from our birth
Over and around us lies
For the beauty of each hour
Of the day and of the night,
Hill and vale and tree and flow’r
Sun and Moon and stars of light.
Lord of all, to Thee we raise
this our sacrifice of praise.

For the joy of human love,
Brother, sister, parent, child.
Friends on earth and friends above
Pleasures pure and undefiled.
For each perfect gift of Thine
To our race so freely given.
Graces human and divine
Flow’rs of earth and buds of heav’n.
Lord of all, to Thee we raise
this our joyful hymn of praise.

For thy church which evermore
Lifteth holy hands above,
Off’ring up on every shore
Her pure sacrifice of love.
Lord of all, to Thee we raise
this our joyful hymn of praise.

Voor de schoonheid van de aarde

Voor de schoonheid van de aarde
voor de glorie van ‘t heelal,
voor de liefde, grootste waarde
in ons leven overal.
Voor de schoonheid die we roemen
ieder uur van dag en nacht,
berg en dal, bomen en bloemen,
zon en maan en sterrenpracht.
Heer van al wat ons geschiedt,
voor U zingen wij dit lied.

Voor de menselijke liefde,
broertje, zusje, ouder, kind,
vriendschap die ons nooit ontriefde,
puur genot om wie ons mint.
Voor al Uw volmaakte gaven
aan ons volk in overvloed,
mens’ en god’lijke genade
aardse bloem en hemels goed.
Heer van al wat ons geschiedt,
voor U zingen wij dit lied.

Voor uw kerk die alle dagen,
handen naar U opgeheven,
U ootmoedig af wil dragen
’t liefdesoffer allerwegen.
Heer van al wat ons geschiedt,
voor U zingen wij dit lied.

Five flower songs

Robert Herrick / George Crabbe / John Clare / Benjamin Britten

1. To daffodils

Fair daffodils, we weep to see
You haste away so soon;
As yet the early-rising sun
Has not attain’d his noon.
Stay, stay
Until the hasting day
Has run
But to the evensong,
And, having pray’d together, we
Will go with you along.

We have short time to stay, as you,
We have as short a spring;
As quick a growth to meet decay,
As you, or anything.
We die,
As your hours do, and dry
Away,
Like to the summer’s rain,
Or as the pearls of morning’s dew,
Ne’er to be found again.

Voor de narcissen

Mooie narcissen, met lede ogen
zien we u zo snel verdwijnen:
nog vóór de vroeg-opgaande zon
haar zenit heeft bereikt.
Blijf, blijf
tot de avonddienst
de korte dag
besluit;
en na een gezamenlijk gebed
zullen we samen gaan.

Wij blijven even kort als u,
onze lente is zo snel voorbij!
Een snelle bloei en dan verval
als u, als wat dan ook.
Ons uur
heeft even snel geslagen,
we verdampen
als een zomerbui,
of de dauwdruppels in de ochtend:
men vindt er nooit meer iets van terug.

2. The succession of the four sweet months

First, April, she with mellow showers
Opens the way for early flowers,
Then after her comes smiling May
In a more rich and sweet array,
Next enters June and brings us more
Gems than those two that went before,
Then (lastly,) July comes and she
More wealth brings in than all those three;
April! May! June! July!

Vier heerlijke maanden na elkaar

Eerst komt april, met zoete regens,
En baant de weg voor vroege bloeiers
Daarna komt de vriendelijke mei
Nog rijker en veelkleuriger uitgedost
Vervolgens brengt juni meer juweeltjes
Dan haar twee voorgangers
Totdat (uiteindelijk) juli komt en nog
Groter rijkdom brengt dan de vorige drie
April, mei, juni, juli!

3. Marsh flowers

Here the strong mallow strikes her slimy root,
Here the dull nightshade hangs her deadly fruit;

On hills of dust the henbane’s faded green,
And pencill’d flower off sickly scent is seen;

Here on his wiry stem in rigid bloom,
Grows the sea lavender that lacks perfume.

At the wall’s base the fiery nettle springs,
With fruit globose and fierce with poison’d stings;

In ev’ry chink delights the fern to grow,
With glossy leaf and tawny bloom below.

The few dull flowers that o’er the place are spread,
Far take the nature of their fanny bed.

These, with our seaweeds rolling up and down,
Form the contracted Flora off our town.

Moerasbloemen

Hier slaat het sterke kaasjeskruid haar slijmerige wortels uit,
hier hangt de zwarte nachtschade haar dodelijke fruit;

op hopen vuilnis zie je dolkruid’s vaalgroene bloem,
aan zijn misselijkmakende geur ontleent hij zijn roem.

Hier op weerbarstige steel en met stugge bloei,
zie je de geurloze lamsoor met zijn trage groei;

aan de voet van de muur woekeren brandnetels,
met hun bolle vruchten en giftige stekels.

In elke kier zie je de varen groeien,
met zijn glanzende blad waaronder tanige bloempjes bloeien:

hier en daar vind je wat saaie bloempjes en lover,
die nemen de aard van hun bedding over.

Al dezen, samen met ons zeewier dat deint op het wad,
Vormen de kwijnende flora van onze stad.

4. The evening primrose

When once the sun sinks in the west,
And dewdrops pearl the evening’s breast;
Almost as pale as moonbeams are
Or its companionable star
The evening primrose opes anew
Its delicate blossoms to the dew.
And hermitlike, shunning the light,
Wastes its fair bloom upon the night;
Who, blindfold to its fond caresses
Knows not the beauty he posesses.
Thus it blooms on while night is by;
When day looks out with open eye,
Bashed at the gaze it cannot shun
It faints and withers and is gone.

De teunisbloem

Als de zon in het westen ondergaat
In de avondboezem dauwdruppels achterlaat,
Bijna zo bleek als manestralen zijn
Of vriendelijke sterrenschijn
Opent de teunisbloem getrouw
Haar fijne bloesem voor de dauw.
En lichtschuw als een kluizenaar in de nacht,
Verspilt ze haar schitterende bloemenpracht;
De nacht weet zich geen eigenaar,
Blind voor haar tedere gebaar.
Tot einde nacht schenkt ze haar bloem,
De nieuwe dag brengt haar geen roem,
Ze botst op het licht dat ze niet kan ontlopen
Ze verslapt en verwelkt en het is afgelopen.

5. The Ballad of Green Broom

There was an old man lived out in the wood,
And his trade was a-cutting of broom, green broom,
He had but one son without thought without good
Who lay in his bed till ’t was noon, bright noon.

The old man awoke one morning and spoke,
He swore he would fire the room, that room,
If his John would not rise and open his eyes,
And away to the wood to cut broom, green broom.

So Johnny arose and slipp’d on his clothes
And away to the wood to cut broom, green broom,
He sharpen’d his knives, and for once he contrives
To cut a great bundle of broom, green broom.

When Johnny pass’d under a Lady’s fine house,
Pass’d under a Lady’s fine room, fine room,
She call’d to her maid: “Go fetch me,” she said,
“Go fetch me the boy that sells broom, green broom!”

When Johnny came into the Lady’s fine house,
And stood in the Lady’s fine room, fine room,
“Young Johnny” she said, “Will you give up your trade
And marry a lady in bloom, full bloom?”

Johnny gave his consent, and to church they both went,
And he wedded the Lady in bloom, full bloom;
At market and fair, all folks do declare,
There’s none like the Boy that sold broom, green broom.

De ballade van John van de brem

Er was eens een oude man, die woonde in het bos,
Hij sneed brem voor bezems, en sneed er op los.
Hij had slechts één zoon, en die nam zijn gemak,
Die bleef in zijn bed tot de middag aanbrak.

Op een dag was de man het goed zat, had het gehad,
Hij zwoer de kamer in brand te steken, hij zou het doen
Als zijn John niet zou opstaan en prompt aan de slag gaan
om in het bos brem te snijden, jong en groen.

Dus Johnny stond op en kleedde zich aan toen,
en ging naar het bos voor de brem, jong en groen.
Hij sleep zijn gereedschap en sneed tot zijn blijdschap,
een grote bos brem, jong en groen.

John kwam langs het huis van een rijke mevrouw,
Hij passeerde haar raam, jong en groen,
Zij sprak tot haar meid, “Breng me zonder respijt,
die jongen, die wil ik heel gauw!”

En Johnny kwam binnen bij de dure mevrouw
en stond in haar kamertje, groen.
“Jongeman, sprak ze lief, wil jij alsjeblieft,
een dame trouwen, in volle bloei en goeden doen?”

Johnny zei meteen ja, ze gingen naar de kerk weldra,
en hij trouwde de dame in volle bloei en goeden doen.
Op markten en pleinen, loopt ieder te geinen
over slimme John van de brem, jong en groen!

Cradle song

Thomas Dekker / Stephen Chatman

Cradle song

Golden slumbers kiss your eyes, 
Smiles awake you when you rise ; 
Sleep, pretty wantons, do not cry, 
And I will sing a lullaby, 
Rock them, rock them, lullaby. 

Care is heavy, therefore sleep you, 
You are care, and care must keep you ; 
Sleep, pretty wantons, do not cry, 
And I will sing a lullaby, 
Rock them, rock them, lullaby.

Wiegelied

Gouden sluimer zonder zorgen,
’n glimlach wekt je in de morgen;
huil niet meer, kleintje, slaap maar fijn,
ik zing voor jou een liedekein,
deine, deine, liedekein.

Heb geen zorgen, slaap maar zacht,
zorg houdt over jou de wacht;
huil niet meer, kleintje, slaap maar fijn,
ik zing voor jou een liedekein,
deine, deine, liedekein.

Belshazzar

Charles Jennens / Georg Friedrich Händel

Vertaling Belshazzar van Händel

Aan het verhaal van Belshazzar ligt het oud-testamentische boek Daniël ten grondslag. Het behandelt de teloorgang van Belshazzar en de verovering van Babylon door de Perzische koning Cyrus. Het koor zorgt voor een muzikale karakterisering van de verschillende volkeren. Het vervult beurtelings de rol van Joden, van de losbandige Babyloniërs en van de strijdlustige Meden en Perzen. Daarnaast heeft het koor, zoals in oratoria gebruikelijk is, van tijd tot tijd een bespiegelende functie. Hoewel Händel slechts de helft van de door Jennens aangeleverde teksten heeft gebruikt is het toch een oratorium in drie bedrijven geworden, een omvangrijk werk.

U vindt hier een fragment uit scene 2 van het tweede bedrijf, waarin een hand geheimzinnige tekens op de muur schrijft, die Belshazzar grote angst aanjagen en die later alleen Daniël kan lezen en uitleggen. De volledige vertaling is op aanvraag verkrijgbaar.

Belshazzar

Scene 2

A banquet-room, adorned with the images of the Babylonian gods. Belshazzar, his wives, concubines, and lords,drinking out of the Jewish temple-vessels,
and singing the praises of their gods.

35. Chorus of Babylonians

Ye tutelar gods of our empire, look down,
And see what rich trophies your victory crown.
Let our bounteous gifts, which our gratitude raise,
Wine, gold, merry notes, pay our tributes of praise.
Sesach, this night is chiefly thine,
Kind donor of the sparkling wine!

36. Air

Belshazzar
Let the deep bowl thy praise confess,
Thy gifts the gracious giver bless!
Thy gifts, of all the gods bestow,
Improve by use, and sweeter grow.
Another bowl! ‘Tis gen’rous wine,
Exalts the human to divine.

37. Accompagnato

Belshazzar
Where is the God of Judah’s boasted pow’r?
Let him reclaim his lost magnificence,
Assert his rights, prov’d ours by long possession,
And vindicate his injur’d honour! — Ah!

As he is going to drink, a hand appears writing upon the wall over against him: he sees it, turns pale with fear, drops the bowl of wine, falls back in his seat, trembling from head to foot, and his knees knocking against each other.

Babylonians
Help, help the king! He faints, he dies!
What envious demon blasts our joys,
And into sorrow turns?
Look up, O king! Speak, cheer thy friends!
Say, why our mirth thus sudden ends,
And the gay circle mourns?


Belshazzar
Behold! See there!

Pointing to the hand upon the wall, which,
while they gaze at it with astonishment,
finishes the writing, and vanishes.

Babylonians
Oh, dire portentous sight! But see, ’tis gone,
And leaves behind it types unknown,
Perhaps some stern decree of fate,
Big with the ruin of our state!
What God, or godlike man, can tell
The sense of this mysterious spell?

38. Recitative

Belshazzar
Call all my Wise Men, Sorcerers, Chaldeans,
Astrologers, Magicians, Soothsayers:
They can perhaps unfold the mystic words,
Dispel our doubts, and ease us of our fears.


39. Symphony

Enter Wise Men of Babylon.

40. Recitative

Belshazzar
Ye sages, welcome always to your king,
Most welcome now, since needed most:
Oh, minister To my sick mind the med’cine of your art.
Whoe’er shall read this writing and interpret,
A splendid purple robe behind him flows,
A chain of gold his honour’d neck shall grace,
And in the kingdom he shall rule the third.

Wise Men
Alas, too hard a task the king imposes,
To read the characters we never learn’d!

41. Chorus of Babylonians

Oh, misery! Oh terror, hopeless grief!
Nor God nor man affords relief!
Who can this mystery unveil,
When all our wise diviners fail?

Enter Nitocris.

Belshazzar

Scene 2

Een feestzaal, versierd met de afbeeldingen van de Babylonische goden. Belshazzar en zijn vrouwen, bijvrouwen en stamhoofden drinken uit de bekers van de joodse tempel, en zingen liederen voor hun goden.

35. Koor van Babyloniërs

Gij beschermgoden van ons rijk, uwentwege
bekronen deze rijke trofeeën de zege.
Aanvaard met onze gulle gaven onze dank
Wij eren u met goud, vrolijk gezang en drank.
Sesach, laat dit feest vooral u ter ere zijn
U bent de schenker van de bruisende wijn!

36. Melodie

Belshazzar
Laat deze beker uw eer belijden,
En Uw gaven vooral de gever verblijden!
De gift van alle goden in deze kruik,
Wordt beter en zoeter in het gebruik.  
Nog een erbij, ’t is gulle wijn,
En wat menselijk was, zal goddelijk zijn.

37. Begeleiding

Belshazzar
Waar blijft die beroemde macht van de joodse God?
Laat hem zijn verloren grootsheid claimen,
laat hem op zijn recht staan, dat al zo lang ons toebehoort,
Laat hem zijn verloren eer herstellen! –Ah!

Terwijl hij de beker aan zijn mond zet, verschijnt een hand die tekens schrijft op de muur tegenover hem: hij ziet het, wordt bleek van angst, laat de beker vallen, valt terug in zijn zetel met knikkende knieën, trillend van top tot teen.

Babyloniërs
Help, help de koning! Hij valt flauw, hij sterft!
Welke kwade duivel verpest ons feest,
en verandert het in een nachtmerrie?
Sla uw ogen op, oh koning! Spreek, vrolijk uw vrienden op!
Waarom is ons gelach zo plotseling verstomd,
en waarom is onze vrolijke kring opeens in rouw gedompeld? 

Belshazzar
Zie, kijk daar!

Hij wijst naar de hand op de muur, die,
terwijl zij er in verbijstering naar staren,
de laatste tekens schrijft, en dan verdwijnt.

Babyloniërs
Oh, ijzig onheilspellende aanblik! Verdwenen!
En dan die onbekende tekens op de stenen,
Is dat soms de harde beschikking van ons lot?
Valt vandaag of morgen onze hele staat kapot!
Welke God, of godgelijke man legt uit
wat deze mysterieuze formule beduidt?

38. Recitatief

Belshazzar
Roep al mijn wijzen, tovenaars, Chaldeërs,
astrologen, magiërs en waarzeggers:
Misschien kunnen zij de geheimzinnige tekens ontcijferen,
onze onzekerheid verdrijven en onze angsten tot rust brengen.

39. Symfonie

De wijze mannen van Babylon komen binnen

40. Recitatief

Belshazzar
Gij wijzen, altijd al welkom bij uw koning, 
hoogst welkom nu, en hoogstnoodzakelijk:
Verzorg mijn zieke hoofd met uw kunstig medicijn.
Wie deze tekens kan lezen en verklaren
zal een prachtige purperen mantel dragen,
een gouden keten zal zijn hals versieren,
en hij zal de hoogste functie in het koninkrijk bekleden.

De wijzen
Helaas, de vraag van de koning ligt buiten onze macht,
deze tekens kunnen wij niet lezen!

41. Koor van Babyloniërs

Wat een tegenslag! Wat een ellendig leven! 
Geen God of mens kan hier verlichting geven! 
Wie kan dit geheim vertalen,
als al onze waarzeggers falen?

Nitocris komt binnen.

Winterreise

Wilhelm Müller / Franz Schubert

1 Gute Nacht

Fremd bin ich eingezogen,
Fremd zieh’ ich wieder aus.
Der Mai war mir gewogen
Mit manchem Blumenstrauß.
Das Mädchen sprach von Liebe,
Die Mutter gar von Eh’, –
Nun ist die Welt so trübe,
Der Weg gehüllt in Schnee.

Ich kann zu meiner Reisen
Nicht wählen mit der Zeit,
Muß selbst den Weg mir weisen
In dieser Dunkelheit.
Es zieht ein Mondenschatten
Als mein Gefährte mit,
Und auf den weißen Matten
Such’ ich des Wildes Tritt.

Was soll ich länger weilen,
Daß man mich trieb hinaus?
Laß irre Hunde heulen
Vor ihres Herren Haus;
Die Liebe liebt das Wandern –
Gott hat sie so gemacht –
Von einem zu dem andern.
Fein Liebchen, gute Nacht!

Will dich im Traum nicht stören,
Wär schad’ um deine Ruh’,
Sollst meinen Tritt nicht hören –
Sacht, sacht die Türe zu!
Ich schreibe nur im Gehen
An’s Tor noch gute Nacht,
Damit du mögest sehen,
An dich hab’ ich gedacht.

Goedenacht

Vreemd ben ik hier gekomen,
Vreemd ga ik hier vandaan.
De meimaand hielp me dromen,
De boeketten sloegen aan.
Het meisje ging voor haar geluk,
Moeder zelfs voor de echt,-
Nu ligt mijn hele wereld stuk,
Mijn pad is ijzig slecht.  

Ik kan voor mijn verzwinden
Niet kiezen dag en tijd,
Moet zelf mijn pad maar vinden
Door donkerte geleid.
De maan geeft mij als metgezel
Mijn eigen schaduw mee,
En in het witte lijnenspel
Loop ik met een wildspoor mee.

Wat zou ik langer blijven,
Tot men mij buiten stuurt?
Laat dolle honden janken
Naar ieder in de buurt;
De liefde houdt van dwalen –
Zo heeft God het bedacht-
Laat vele liefjes stralen.
Mooi liefje, goedenacht!

Ik wil je droom niet storen,
Je slaapt immers zo licht.
Mag mijn vertrek niet horen-
Zacht, zacht de deur goed dicht!
Ik schrijf in het voorbijgaan
Op de deur voor jou: goedenacht,
Opdat je daaruit zult verstaan,
Aan jou heb ik gedacht.

2 Die Wetterfahne

Der Wind spielt mit der Wetterfahne
Auf meines schönen Liebchens Haus.
Da dacht’ ich schon in meinem Wahne,
Sie pfiff den armen Flüchtling aus.

Er hätt’ es eher bemerken sollen,
Des Hauses aufgestecktes Schild,
So hätt’ er nimmer suchen wollen
Im Haus ein treues Frauenbild.

Der Wind spielt drinnen mit den Herzen
Wie auf dem Dach, nur nicht so laut.
Was fragen sie nach meinen Schmerzen ?
Ihr Kind ist eine reiche Braut.

De windvaan

De wind speelt met de hoge windvaan
op het huis van mijn bijna-echtgenote.
Ik dacht in mijn betrekkingswaan,
De arme vluchteling wordt uitgefloten.

Hij had het eerder moeten bespeuren,
dat opgestoken schild op het gebouw,
Dan had hij niet hoeven betreuren
dat ze wel lief was maar niet trouw.

De wind speelt binnen met de harten
als op het dak, maar minder luid.
Wat zullen zij malen om mijn smarten?
Hun kind is nu een rijke bruid.

3 Gefror’ne Tränen

Gefrorne Tropfen fallen
Von meinen Wangen ab:
Ob es mir denn entgangen,
Daß ich geweinet hab’ ?

Ei Tränen, meine Tränen,
Und seid ihr gar so lau,
Daß ihr erstarrt zu Eise
Wie kühler Morgentau ?

Und dringt doch aus der Quelle
Der Brust so glühend heiß,
Als wolltet ihr zerschmelzen
Des ganzen Winters Eis !

Bevroren tranen

De druppels zijn bevroren
En rollen van mijn wang
Of had ik soms mijn tranen
Niet altijd in bedwang?

Ach tranen, ja mijn tranen,
Zijn jullie zelfs zo lauw
Dat je verhardt tot ijzel
Net als de ochtenddauw?

Toch ontspringen jullie gloeiend
Aan de bodem van mijn hart,
Alsof je wilt doen smelten
Al het winterijs zo zwart!

4 Erstarrung

Ich such’ im Schnee vergebens
Nach ihrer Tritte Spur,
Wo sie an meinem Arme
Durchstrich die grüne Flur.

Ich will den Boden küssen,
Durchdringen Eis und Schnee
Mit meinen heißen Tränen,
Bis ich die Erde seh’.

Wo find’ ich eine Blüte,
Wo find’ ich grünes Gras ?
Die Blumen sind erstorben,
Der Rasen sieht so blaß.

Soll denn kein Angedenken
Ich nehmen mit von hier ?
Wenn meine Schmerzen schweigen,
Wer sagt mir dann von ihr ?

Mein Herz ist wie erstorben,
Kalt starrt ihr Bild darin;
Schmilzt je das Herz mir wieder,
Fließt auch ihr Bild dahin !

Verharding

Vergeefs zoek ik in deze sneeuw
Een voetafdruk van haar,
Hier liepen we ooit arm in arm
Door het groene veld als paar.

Ik wil de aarde kussen,
Doorboren sneeuw en ijs
Met mijn gloeiende tranen,
De grond bergt het bewijs.

Waar vind ik nog iets bloeiends,
Waar is ons groene oord?
De bloemen zijn gestorven,
Het grasveld is verdord.

Moet ik dan niet iets tastbaars
Meenemen van ons saam?
Als mijn verdriet zal zwijgen,
Wie noemt mij dan haar naam?

Mijn hart is stijfbevroren,
Haar beeld op ijs gezet;
Zou ooit mijn hart ontdooien,
Dan smelt ook haar portret!

5 Der Lindenbaum

Am Brunnen vor dem Tore
Da steht ein Lindenbaum;
Ich träumt’ in seinem Schatten
So manchen süßen Traum.

Ich schnitt in seine Rinde
So manches liebe Wort;
Es zog in Freud’ und Leide
Zu ihm mich immer fort.

Ich mußt’ auch heute wandern
Vorbei in tiefer Nacht,
Da hab’ ich noch im Dunkeln
Die Augen zugemacht.

Und seine Zweige rauschten,
Als riefen sie mir zu:
Komm her zu mir, Geselle,
Hier find’st du deine Ruh’ !

Die kalten Winde bliesen
Mir grad’ ins Angesicht;
Der Hut flog mir vom Kopfe,
Ich wendete mich nicht.

Nun bin ich manche Stunde
Entfernt von jenem Ort,
Und immer hör’ ich’s rauschen:
Du fändest Ruhe dort !

De linde

Vooraan bij het fonteintje
Daar staat een lindeboom;
Ik droomde in zijn schaduw
Zo menig zoete droom.

Ik kerfde in zijn lindebast
Al vele meisjesnamen;
Op liefdespad en lijdensweg
Bracht hij ons altijd samen.

Ook ditmaal moest ik komen
De nacht was koud en diep,
Toen heb ik nog in ’t donker
Gedaan alsof ik sliep.

Ik hoorde zijn takken ruisen,
Als riepen zij verontrust:
Kom maar bij mij, mijn jongen,
Hier vind je altijd rust.

De koude winden bliezen
Mij recht in het gezicht;
Ik ben mijn hoed verloren,
Toch ben ik niet gezwicht.

Nu ben ik vele uren
Voorbij die plek, die maar
Blijft ruisen in mijn oren:
Eeuwige rust was daar!

6 Wasserflut

Manche Trän’ aus meinen Augen
Ist gefallen in den Schnee;
Seine kalten Flocken saugen
Durstig ein das heiße Weh.

Wenn die Gräser sprossen wollen
Weht daher ein lauer Wind,
Und das Eis zerspringt in Schollen
Und der weiche Schnee zerrinnt.

Schnee, du weißt von meinem Sehnen,
Sag’, wohin doch geht dein Lauf ?
Folge nach nur meinen Tränen,
Nimmt dich bald das Bächlein auf.

Wirst mit ihm die Stadt durchziehen,
Muntre Straßen ein und aus;
Fühlst du meine Tränen glühen,
Da ist meiner Liebsten Haus.

Watervloed

Menige traan zal uit mijn ogen
In de sneeuw gevallen zijn;
En zijn koude vlokken zogen
Dorstig op de hete pijn.

Als het gras weer uit wil lopen
Waait van daar een warme bries,
En het hardste ijs breekt open
En de sneeuw neemt zijn verlies.

Sneeuw, je weet van mijn verlangen,
Zeg me, welke loop neem jij?
Blijf maar aan mijn tranen hangen,
En de beek neemt je erbij.

Wil met hem de stad door stromen,
Door de straten licht en blij;
Voel je plots mijn tranen gloeien,
Zul je weten: daar woont zij!

7 Auf dem Fluße

Der du so lustig rauschtest,
Du heller, wilder Fluß,
Wie still bist du geworden,
Gibst keinen Scheidegruß.

Mit harter, starrer Rinde
Hast du dich überdeckt,
Liegst kalt und unbeweglich
Im Sande ausgestreckt.

In deine Decke grab’ ich
Mit einem spitzen Stein
Den Namen meiner Liebsten
Und Stund’ und Tag hinein:

Den Tag des ersten Grußes,
Den Tag, an dem ich ging;
Um Nam’ und Zahlen windet
Sich ein zerbroch’ner Ring.

Mein Herz, in diesem Bache
Erkennst du nun dein Bild ?
Ob’s unter seiner Rinde
Wohl auch so reißend schwillt ?

Op de stroom

Jij die zo vrolijk ruiste,
Jij heldere, wilde vloed,
Je bent zo stil geworden,
En geeft geen afscheidsgroet.

Met een harde, dikke ijslaag
Heb jij je overdekt,
Ligt koud en onbeweeglijk
In ’t zandbed uitgestrekt.

In jouw bedekking kerf ik
Met ’n hele scherpe kei
De naam van mijn geliefde
Met dag en uur erbij:

De dag van ’t eerste welkom,
De dag waarop ik ging;
Rond naam en data beitel ik
Nog een gebroken ring.

Mijn hart, zie je herkenning,
Je evenbeeld in de stroom?
Zie je onder zijn ijslaag
Dezelfde wilde droom?

8 Rückblick

Es brennt mir unter beiden Sohlen,
Tret’ ich auch schon auf Eis und Schnee,
Ich möcht’ nicht wieder Atem holen,
Bis ich nicht mehr die Türme seh’.

Hab’ mich an jedem Stein gestoßen,
So eilt’ ich zu der Stadt hinaus;
Die Krähen warfen Bäll’ und Schloßen
Auf meinen Hut von jedem Haus.

Wie anders hast du mich empfangen,
Du Stadt der Unbeständigkeit !
An deinen blanken Fenstern sangen
Die Lerch’ und Nachtigall im Streit.

Die runden Lindenbäume blühten,
Die klaren Rinnen rauschten hell,
Und ach, zwei Mädchenaugen glühten. –
Da war’s gescheh’n um dich, Gesell !

Kommt mir der Tag in die gedanken,
Möcht’ ich noch einmal rückwärts seh’n.
Möcht’ ich zurücke wieder wanken,
Vor ihrem Hause stille steh’n.

Terugblik

Ik voel het branden van mijn voeten,
Al loop ik over sneeuw en ijs,
Ik wilde niet meer ademhalen,
Tot ver voorbij dat ijspaleis.

Heb me aan iedere steen gestoten,
Zo haastte ik me uit de stad;
De kraaien gooiden pek en veren
Naar mij, uit ieder huis zowat.

Hoe anders heb je me ontvangen,
Jij stad van wispelturigheid!
In al je zonnevensters zongen.
De gaal en leeuwerik om strijd.

De ronde lindebomen bloeiden,
Je held’re beekjes delicaat,
En ach, twee meisjesogen gloeiden.
Toen had je het te pakken, kameraad!

Komt mij die dag weer in gedachten,
Zou ‘k graag nog éénmaal ommezien.
Eén keer terug, op laatste benen,
En stilstaan voor haar huis misschien.

9 Irrlicht

In die tiefsten Felsengründe
Lockte mich ein Irrlicht hin;
Wie ich einen Ausgang finde,
Liegt nicht schwer mir in dem Sinn.

Bin gewohnt das Irregehen,
’s führt ja jeder Weg zum Ziel;
Uns’re Freuden, uns’re Wehen,
Alles eines Irrlichts Spiel !

Durch des Bergstroms trockne Rinnen
Wind’ ich ruhig mich hinab,
Jeder Strom wird’s Meer gewinnen,
Jedes Leiden auch sein Grab.

Dwaallicht

Door de diepste rotsformaties
Leidde mij een dwaallicht voort;
Of ik hier nog uit zou komen,
’t Heeft me niet heel erg gestoord.

Ben gewend verkeerd te kiezen
Iedere weg vervoert je wel;
Onze vreugde en ons kniezen,
Allemaal een dwaallichtspel!

Door een opgedroogde bedding
Daal ik kalm de helling af,
Iedere kreek zal zee bereiken,
Alle leed vindt ook zijn graf.

10 Rast

Nun merk’ ich erst wie müd’ ich bin,
Da ich zur Ruh’ mich lege;
Das Wandern hielt mich munter hin
Auf unwirtbarem Wege.

Die Füße frugen nicht nach Rast,
Es war zu kalt zum Stehen;
Der Rücken fühlte keine Last,
Der Sturm half fort mich wehen.

In eines Köhlers engem Haus
Hab’ Obdach ich gefunden.
Doch meine Glieder ruh’n nicht aus:
So brennen ihre Wunden.

Auch du, mein Herz, in Kampf und Sturm
So wild und so verwegen,
Fühlst in der Still’ erst deinen Wurm
Mit heißem Stich sich regen !

Rust

Nu merk ik pas hoe moe ik ben,
Nu ik ben neergezegen:
Het dwalen hield me op de been
Op ongastvrije wegen.

Mijn voeten vroegen niet om rust,
Te koud om staan te blijven;
Mijn rugpijn werd in slaap gesust,
De storm bleef me voortdrijven.

In ’t huisje van een kolenboer
Heb ik onderdak gevonden.
En nu ik hier geen vin verroer,
Nu branden al mijn wonden.

Ook jij, mijn hart, in strijd en storm
Zo stoer zonder verzaken,
Voelt in de rust pas hoe enorm
De schok je doet ontwaken!

11 Frühlingstraum

Ich träumte von bunten Blumen,
So wie sie wohl blühen im Mai;
Ich träumte von grünen Wiesen,
Von lustigem Vogelgeschrei.

Und als die Hähne krähten,
Da ward mein Auge wach;
Da war es kalt und finster,
Es schrien die Raben vom Dach.

Doch an den Fensterscheiben,
Wer malte die Blätter da ?
Ihr lacht wohl über den Träumer,
Der Blumen im Winter sah ?

Ich träumte von Lieb um Liebe,
Von einer schönen Maid,
Von Herzen und von Küssen,
Von Wonne und Seligkeit.

Und als die Hähne krähten,
Da ward mein Herze wach;
Nun sitz’ ich hier alleine
Und denke dem Traume nach.

Die Augen schließ’ ich wieder,
Noch schlägt das herz so warm.
Wann grünt ihr Blätter am Fenster ?
Wann halt’ ich mein Liebchen im Arm?

Lentedroom

Ik droomde van fleurige bloemen,
Zoals ze wel bloeien in mei;
Ik droomde van groene weiden,
Van vrolijke vogels erbij.

En toen de hanen kraaiden,
Zag ik dat de dag aanbrak;
Toen was het koud en duister,
En schreeuwden de raven op het dak.

Maar wie schilderde bloemen
Op de koude ruiten die nacht?
U lacht vast om de dromer,
Die ’s winters nog bloemen zag?

Ik droomde van liefde na liefde,
Van een hele mooie meid,
Van hartjes en van kussen,
Van genot en van zaligheid.

En toen de hanen kraaiden,
Ontwaakte ook mijn hart;
Nu zit ik eenzaam te kniezen
Nog door mijn droom verward.

Ik sluit nogmaals mijn ogen,
Mijn hart klopt nog steeds warm.
Wanneer gaan de ijsbloemen bloeien?
Wanneer slaapt mijn lief op mijn arm?

12 Einsamkeit

Wie eine trübe Wolke
Durch heit’re Lüfte geht,
Wenn in der Tanne Wipfel
Ein mattes Lüftchen weht:

So zieh ich meine Straße
Dahin mit trägem Fuß,
Durch helles, frohes Leben
Einsam und ohne Gruß.

Ach, daß die Luft so ruhig !
Ach, daß die Welt so licht !
Als noch die Stürme tobten,
War ich so elend nicht.

Eenzaamheid

Zoals een wazig wolkje
Zeilt door de blauwe lucht,
Als in de dennentoppen
Een heel zwak briesje zucht:

Zo schuif ik langs de paden
Met zware, trage voet,
Door licht en vreugd heen waden
Eenzaam en zonder groet.

Ach, wat is de lucht toch rustig!
Ach, wat is de wereld fijn!
Als stormen bleven loeien,
Zou ‘k niet zo droevig zijn.

13 Die Post

Von der Straße her ein Posthorn klingt.
Was hat es, daß es so hoch aufspringt,
Mein Herz

Die Post bringt keinen Brief für dich.
Was drängst du denn so wunderlich,
Mein Herz ?

Nun ja, die Post kommt aus der Stadt,
Wo ich ein liebes Liebchen hat,
Mein Herz!

Willst wohl einmal hinüberseh’n
Und fragen, wie es dort mag geh’n,
Mein Herz ?

De post

De posthoorn klinkt over straat.
Hoe komt het dat je kloppen gaat,
Mijn hart?

De post brengt weer geen brief voor jou.
Wat doe je vreemd, wat wil je nou,
Mijn hart?

Nou ja, de post komt uit de stad,
Waar ik eenmaal een liefje had,
Mijn hart!

Wil je het misschien eens wagen
Om daar nog wat rond te vragen,
Mijn hart?

14 Der greise Kopf

Der Reif hatt’ einen weißen Schein
Mir übers Haar gestreuet;
Da glaubt’ ich schon ein Greis zu sein
Und hab’ mich sehr gefreuet.

Doch bald ist er hinweggetaut,
Hab’ wieder schwarze Haare,
Daß mir’s vor meiner Jugend graut –
Wie weit noch bis zur Bahre !

Vom Abendrot zum Morgenlicht
Ward mancher Kopf zum Greise.
Wer glaubt’s ? und meiner ward es nicht
Auf dieser ganzen Reise !

Het grijze hoofd

De rijp had eens mijn haardos
Een witte gloed gegeven;
Heel even dacht ik grijs te zijn
‘k Was blij dat te beleven.

Maar snel is die weer weggedooid
Heb ik toch zwarte haren,
Nu gruwel ik weer van mijn jeugd:
Ik moet nog zoveel jaren!

Van avondrood tot morgenlicht
Werd menig haardos grijzig.
Geloof jij het? Ik ben niet verlicht,
En heel de reis was ijzig!

15 Die Krähe

Eine Krähe war mit mir
Aus der Stadt gezogen,
Ist bis heute für und für
Um mein Haupt geflogen.

Krähe, wunderliches Tier,
Willst mich nicht verlassen ?
Meinst wohl, bald als Beute hier
Meinen Leib zu fassen ?

Nun, es wird nicht weit mehr geh’n
An dem Wanderstabe.
Krähe, laß mich endlich seh’n
Treue bis zum Grabe !

De kraai

Zwarte kraai jij bent met mij
Uit de stad getogen,
En tot nu toe heb je steeds
Rond mijn hoofd gevlogen.

Ach jij kraai, merkwaardig dier,
Weet je niet van wijken?
Zie je mij soms als een buit
In je zucht naar lijken?

‘k Heb niet heel lang meer te gaan
Blij niet meer te hoeven.
Kraai, bewijs jij eindelijk
Trouw tot aan de groeve?

16 Letzte Hoffnung

Hie und da ist an den Bäumen
Manches bunte Blatt zu seh’n,
Und ich bleibe vor den Bäumen
Oftmals in Gedanken steh’n.

Schaue nach dem einen Blatte,
Hänge meine Hoffnung dran;
Spielt der Wind mit meinem Blatte,
Zittr’ ich, was ich zittern kann.

Ach, und fällt das Blatt zu Boden,
Fällt mit ihm die Hoffnung ab;
Fall’ ich selber mit zu Boden,
Wein’ auf meiner Hoffnung Grab.

Laatste hoop

Hier en daar zie ik nog bomen
Met een kleurig blad eraan,
En ik blijf voor deze bomen
Dikwijls in gedachten staan.

Kijk ik naar dat ene blaadje,
Hang mijn hoop daaraan terstond;
Speelt de wind dan met mijn blaadje,
Tril ik als een juffershond.

Stort dat blad, helaas, ter aarde
Valt daarmee mijn hoop er af:
Stort ik zelf neer op de aarde,
Ach mijn hoop, ‘k ween op je graf.

17 Im Dorfe

Es bellen die Hunde, es rasseln die Ketten;
Es schlafen die Menschen in ihren Betten,
Träumen sich manches, was sie nicht haben,
Tun sich im Guten und Argen erlaben;

Und morgen früh ist alles zerflossen.
Je nun, sie haben ihr Teil genossen
Und hoffen, was sie noch übrig ließen,
Doch wieder zu finden auf ihren Kissen.

Bellt mich nur fort, ihr wachen Hunde,
Laßt mich nicht ruh’n in der Schlummerstunde !
Ich bin zu Ende mit allen Träumen.
Was will ich unter den Schläfern säumen ?

In het dorp

Hier blaffen de honden, hun kettingen kraken;
Het zal in hun bedden de slapers niet raken,
Ze dromen van prachtige vergezichten,
Waarmee ze de dagelijkse strijd wat verlichten;

Er morgen vroeg is alles vervluchtigd.
Nou ja, ze hebben hun nacht verluchtigd
En hopen, wat ze nog overlieten,
Toch weer te vinden om na te genieten.

Blaf mij maar voort, jullie waakse honden,
Laat mij niet slapen op mijn nachtelijke ronde!
Ik ben nu wel klaar met al deze dromen.
Hoe zou ik bij slapers verder komen?

18 Der stürmischer Morgen

Wie hat der Sturm zerrissen
Des Himmels graues Kleid !
Die Wolkenfetzen flattern
Umher im matten Streit.

Und rote Feuerflammen
Zieh’n zwischen ihnen hin;
Das nenn’ ich einen Morgen
So recht nach meinem Sinn !

Mein Herz sieht an dem Himmel
Gemalt sein eig’nes Bild –
Es ist nichts als der Winter,
Der Winter kalt und wild !

De stormachtige morgen

Hoe rukt de storm de hemel
De kleren van het lijf!
Waar wolkenvlagen fladderen
In een zwak laatste bedrijf.

En rode vlammen laaien
Tussen de flarden in;
Dat noem ik pas een morgen
Helemaal naar mijn zin!

Mijn hart ziet aan de hemel
De spiegel van mijn ziel –
Niets anders dan de winter,
Zo koud en zo fragiel!

19 Täuschung

Ein Licht tanzt freundlich vor mir her,
Ich folg’ ihm nach die Kreuz und Quer;
Ich folg’ ihm gern und seh’s ihm an,
Daß es verlockt den Wandersmann.

Ach ! wer wie ich so elend ist,
Gibt gern sich hin der bunten List,
Die hinter Eis und Nacht und Graus,
Ihm weist ein helles, warmes Haus.

Und eine liebe Seele drin. –
Nur Täuschung ist für mich Gewinn !

Dwaalspoor

Een licht danst lichtjes voor me uit,
Ik volg het voor- en achteruit;
Ik volg het graag, weet al te goed:
Dat het verleidt het zwerversbloed.

Ach, wie als ik vooruitzicht mist,
Geeft zich snel over aan de list,
Die na kou, duister en gespuis,
Hem wijst een licht en gastvrij huis.

En daar dan liefst een liefje in. –
Het dwaalspoor geeft mijn leven zin!

20 Der Wegweiser

Was vermeid’ ich denn die Wege,
Wo die ander’n Wand’rer geh’n,
Suche mir versteckte Stege,
Durch verschneite Felsenhöh’n ?

Habe ja doch nichts begangen,
Daß ich Menschen sollte scheu’n, –
Welch ein törichtes Verlangen
Treibt mich in die Wüstenei’n ?

Weiser stehen auf den Straßen,
Weisen auf die Städte zu.
Und ich wandre sonder Maßen
Ohne Ruh’ und suche Ruh’.

Einen Weiser seh’ ich stehen
Unverrückt vor meinem Blick;
Eine Straße muß ich gehen,
Die noch keiner ging zurück.

De wegwijzer

Waarom mijd ik alle wegen,
Waar de andere zwervers gaan,
Wil ik langs verscholen paadjes,
En besneeuwde rotsen gaan?

Ik heb toch niets uitgevreten,
Dat ik kies voor het gemis, –
En welk idioot verlangen
Drijft mij naar de wildernis?

Richtingborden op de straten,
In de richting van de stad.
En ik zwerf hier buitenmate
Zonder rust en zoek juist dat.

Maar één wijzer zie ik wel staan
Onweerlegbaar gemarkeerd;
Eén weg die ik zeker gaan moet,
Niemand die daar wederkeert.

21 Das Wirtshaus

Auf einen Totenacker
Hat mich mein Weg gebracht;
Allhier will ich einkehren,
Hab ich bei mir gedacht.

Ihr grünen Totenkränze
Könnt wohl die Zeichen sein,
Die müde Wand’rer laden
Ins kühle Wirtshaus ein.

Sind denn in diesem Hause
Die Kammern all’ besetzt ?
Bin matt zum Niedersinken,
Bin tödlich schwer verletzt.

O unbarmherz’ge Schenke,
Doch weisest du mich ab ?
Nun weiter denn, nur weiter,
Mein treuer Wanderstab !

De herberg

Tot bij een dodenakker
Heeft mijn tocht mij gebracht;
Ja, hier wil ik wel blijven,
Heb ik zomaar gedacht.

Je groene dodenkransen
Kunnen het teken zijn,
Noden de moede zwervers
Voor ’t koele samenzijn.

Zijn in dit onderkomen
Alle kamers al bezet?
‘k Ben nauw tot hier gekomen,
En zoek mijn laatste bed.

O genadeloze herberg,
Toch wijs je me nog af?
Nu verder dan, steeds verder,
Mijn trouwe wandelstaf!

22 Mut

Fliegt der Schnee mir ins Gesicht,
Schüttl’ ich ihn herunter.
Wenn mein Herz im Busen spricht,
Sing’ ich hell und munter.

Höre nicht, was es mir sagt,
Habe keine Ohren;
Fühle nicht, was es mir klagt,
Klagen ist für Toren.

Lustig in die Welt hinein
Gegen Wind und Wetter !
Will kein Gott auf Erden sein,
Sind wir selber Götter !

Moed

Slaat de sneeuw me in ’t gezicht,
Veeg ik ’t van mijn wangen.  
Als mijn hart de noodklok luidt,
Zing ik onbevangen.

Hoor niet, wat hij zeggen wil,
Sluit me af voor ’t razen;
Voel niet, wat hij zeurt en klaagt,
Klagen is voor dwazen.

Vrolijk de wijde wereld in,
Weer en wind ontboden!
Als geen God de aarde wil,
Spelen wij voor Goden!

23 Die Nebensonnen

Drei Sonnen sah ich am Himmel steh’n,
Hab’ lang und fest sie angeseh’n;
Und sie auch standen da so stier,
Als wollten sie nicht weg von mir.

Ach, meine Sonne seid ihr nicht!
Schaut ander’n doch ins Angesicht!
Ja, neulich hatt’ich auch wohl drei;
Nun sind hinab die besten zwei.

Ging nur die dritt’ erst hinterdrein !
Im Dunkel wird mir wohler sein.

De bijzonnen

Drie zonnen aan de hemelbaan,
Ik keek ze lang indringend aan;
En zij stonden ook heel dichtbij,
Als wilden ze niet weg van mij.

Ach, míjn zonnen zijn jullie niet!
Kies anderen die je beziet!
Ja, laatst reisde een drietal mee,
Maar nu zijn kwijt de beste twee.

Ging de derde er maar achteraan!
In het donker zal het me beter gaan.

24 Der Leiermann

Drüben hinterm Dorfe
Steht ein Leiermann
Und mit starren Fingern
Dreht er was er kann.

Barfuß auf dem Eise
Wankt er hin und her
Und sein kleiner Teller
Bleibt ihm immer leer.

Keiner mag ihn hören,
Keiner sieht ihn an,
Und die Hunde knurren
Um den alten Mann.

Und er läßt es gehen,
Alles wie es will,
Dreht, und seine Leier
Steht ihm nimmer still.

Wunderlicher Alter !
Soll ich mit dir geh’n ?
Willst zu meinen Liedern
Deine Leier dreh’n ?

De draailierman

Ginds, voorbij het dorpje
Staat een draailierman
En met stramme vingers
Draait hij wat hij kan.

Blootsvoets op de ijslaag
Wiegt hij heen en weer
In zijn kleine bakje
Valt geen stuiver meer.

Niemand wil hem horen,
Niemand kijkt hem aan,
In de omtrek slaan de
Honden grommend aan.

En hij laat het voortgaan,
Alles zo het wil,
Draait door, en zijn draailier
Staat ook nooit meer stil.

Wonderlijke oude!
Gaan we met zijn twee?
Draai je op je lier dan
Met mijn lied’ren mee?

Waldesnacht

Paul Heyse / Johannes Brahms

Waldesnacht

Waldesnacht, du wunderkühle, 
Die ich tausend Male grüß, 
Nach dem lauten Weltgewühle, 
O, wie ist dein Rauschen süß! 
Träumerisch die müden Glieder 
Berg’ich weich ins Moos, 
Und mir ist, als würd ich wieder 
All der irren Qualen los.

Fernes Flötenlied, vertöne, 
Das ein weites Sehnen rührt, 
Die Gedanken in die schöne, 
Ach, missgönnte Ferne führt. 
Laß die Waldesnacht mich wiegen, 
Stillen jede Pein, 
Und ein seliges Genügen 
Saug’ ich mit den Düften ein.

In den heimlich engen Kreisen 
Wird dir wohl, du wildes Herz, 
Und ein Friede schwebt mit leisen 
Flügelschlägen niederwärts. 
Singet, holde Vögellieder, 
Mich in Schlummer sacht!
Irre Qualen, löst euch wieder, 
Wildes Herz, nun gute Nacht!

Nacht in het woud

Woudnacht, jij bent koel en mild,
‘k zal je duizendmaal begroeten, 
wat is dan de wereld wild, 
bij jouw geruis op kousevoeten! 
Mijn leden leg ik dromerig neer 
moe en zwaar in het weke mos, 
en zo, lijkt het, laat ik steeds weer 
alle grote smarten los.

In de verte klinkt een liedje 
dat een groot verlangen wekt, 
mijn dromen met een melodietje, 
naar benijde verten trekt. 
Laat de woudnacht mij maar wiegen, 
en verzachten alle pijn, 
laat mij hier gelukkig vliegen, 
in dit geurige domein.

Deze plek brengt ongedacht 
mijn onstuimig hart tot rede, 
grote vrede zweeft met zachte 
vleugelslagen naar beneden. 
Zoete vogelliedjes brengen 
mij in sluimeringen zacht, 
laten mijn verdriet vervliegen, 
onstuimig hart, nu goede nacht!

Tutto lo di

Orlando di Lasso

Tutto lo di

Tutto lo dì mi dici: “Canta, canta!”
Non vedi ca non posso refiatare!
A che tanto cantare?
Vorria che mi dicessi “Sona, sona!”
Non le campan’a nona
Ma lo cimbalo tuo
Se canto ri-ro ro-ri-ro-gne
S’io t’haggio sott’ a st’ogne.

De hele dag 

De hele dag zeg je tegen me: “zing, zing!”
Zie je niet dat ik me moet bedwingen!
Waarom moet ik zo vaak zingen?
Ik wou dat je zou zeggen: “speel, speel!”
Niet op de bel voor het gebedsritueel
maar op jouw pronkjuwelen
zou ik je overal stri-stra-strelen
als ik jou nu mocht bespelen.

Trois chansons

Charles d'Orléans / Claude Debussy

Dieu! qu’il la fait bon regarder!

Dieu! qu’il la fait bon regarder
La gracieuse bonne et belle;
Pour les grans biens que sont en elle
Chacun est prest de la loüer.

Qui se pourroit d’elle lasser?
Toujours sa beauté renouvelle.
Dieu! qu’il la fait bon regarder
La gracieuse bonne et belle!

Par de ça ne de là, la mer
Ne scay dame ne damoiselle
Qui soit en tous bien parfais telle.
C’est un songe que d’i penser:
Dieu! qu’il la fait bon regarder!

God, wat een feest om haar te zien!

God, wat een feest om haar te zien,
die gracieuze, mooie, prachtige vrouw!
Die eenieder graag bezingen zou,
en haar schoonheid verheerlijken bovendien.

Wie zou moe kunnen worden van het weerzien?
Haar schoonheid is altijd natuurgetrouw.
God wat een feest om haar te zien,
die gracieuze, mooie, prachtige vrouw!

Aan deze kust, noch zo ver als men kan zien
heeft men ooit een dame of een jonge vrouw
in elk opzicht zo volmaakt gezien.
Een droombeeld, maar waarheidsgetrouw:
God, wat een feest om haar te zien!

Quant j’ai ouy le tabourin

Quant j’ai ouy la tabourin
Sonner, pour s’en aller au may,

En mon lit n’en ay fait affray
Ne levé mon chief du coissin;
En disant: il est trop matin
Ung peu je me rendormiray:

Quant j’ ay ouy le tabourin
Sonner pour s’en aller au may,

Jeunes gens partent leur butin;
De nonchaloir m’accointeray
A lui je m’abutineray
Trouvé l’ay plus prouchain voisin;

Quant j’ay ouy le tabourin
Sonner pour s’en aller au may
En mon lit n’en ay fait affray
Ne levé mon chief du coissin.

De roep van de tamboerijn

De roep van de tamboerijn
wekte me, want het was mei,

maar ik lag in bed en sliep zo blij
ik wilde nog niet wakker zijn;
en zei: “het is te vroeg, dit doet me pijn,
ik slaap liever nog eventjes bij:”

De roep van de tamboerijn
wekte me, want het was mei,

Jongelui verdeelden de buit op het plein;
het was niet van belang voor mij
ik had mijn liefje al nabij
ik had mijn eigen valentijn;

De roep van de tamboerijn
wekte me, want het was mei,
maar ik lag in bed en sliep zo blij
ik wilde nog niet wakker zijn.

Yver, vous n’estes qu’un vilain;

Yver, vous n’estes qu’un vilain;
Esté est plaisant et gentil
En témoing de may et d’avril
Qui l’accompaignent soir et main.

Esté revet champs, bois et fleurs
De sa livrée de verdure
Et de maintes autres couleurs
Par l’ordonnance de nature.

Mais vous, Yver, trop estes plein
De nège, vent, pluye et grézil.
On vous deust banir en éxil.
Sans point flater je parle plein,
Yver, vous n’estes qu’un vilain.

Winter, je bent een slechterik!

Winter, je bent een slechterik!
De zomer is lief, aardig en stil
kijk maar naar mei en april,
met ’s ochtends en ’s avonds een frisse blik.

De zomer spreidt op ieder uur
over velden, bossen en bloemen zijn geuren,
zijn groen en alle andere kleuren,
volgens het recept van moeder natuur.

Maar jij, winter, je brengt vooral schrik
met al je sneeuw, wind, hagel en regen.
men zou verbanning moeten overwegen.
Onomwonden en volmondig verklaar ik:
Winter, je bent een slechterik!

Trois beaux oiseaux

Maurice Ravel

Trois beaux oiseaux

Trois beaux oiseaux du Paradis
(Mon ami z-il est à la guerre)
Trois beaux oiseaux du Paradis
Ont passé par ici.

Le premier était plus bleu que ciel,
(Mon ami z-il est à la guerre)
Le second était couleur de neige,
Le troisième rouge vermeil.

“Beaux oiselets du Paradis,
(Mon ami z-il est à la guerre)
Beaux oiselets du Paradis,
qu’apportez par ici?”

“J’apporte un regard couleur d’azur.
(Ton ami z-il est à la guerre)
“Et moi, sur beau front couleur de neige,
Un baiser dois mettre, encor plus pur”.

“Oiseau vermeil du Paradis,
(Mon ami z-il est à la guerre)
Oiseau vermeil du Paradis,
que portez-vous ainsi?”

“Un joli coeur tout cramoisi
(Ton ami z-il est à la guerre)”
“Ah, je sens mon coeur qui froidit…
Emportez-le aussi”.

Drie mooie vogels

Drie mooie vogels uit het Paradijs
(Mijn lief ging naar het front)
Drie boodschappers uit het Paradijs
Zijn hier voorbij gekomen.

De eerste was blauwer dan de lucht
(Mijn lief ging naar het front)
De tweede was zo wit als sneeuw
De derde helderrood.

“Mooie vogeltjes uit het Paradijs,
(Mijn lief ging naar het front)
Mooie vogeltjes uit het Paradijs,
Wat brengt jullie hier?”

“Ik breng je een azuurblauwe oogopslag.
(Jouw lief ging naar het front)”
“En ik moet je op je sneeuwwitte gezicht
Een nog zuiverder kus brengen”.

“Rode vogel uit het Paradijs,
(Mijn lief ging naar het front)
Rode vogel uit het Paradijs,
Wat breng jij nog voor mij mee?”

“Een mooi karmijnrood hart
(Jouw lief ging naar het front)”
“Ach, ik voel hoe mijn hart versteent…
Neem het alsjeblieft ook mee”.

Triste départ

Nicolas Gombert

Triste départ

Triste départ m’avait mis en douleur,
Mon corps était plus froid qui n’est le marbre.
Transi de deuil et séchant comme un arbre,
Ma face avait perdu toute couleur.

Een triest vertrek

Een triest vertrek heeft me in rouw gestort,
mijn lichaam was kouder nog dan steen,
verstijfd van smart en als een boom verdord,
en alle kleur uit mijn gezicht verdween.